Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2013:5888

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
21 november 2013
Publicatiedatum
26 november 2013
Zaaknummer
C/16/352807 / FT RK 13/2265
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek dwangakkoord ondanks weigering grootste schuldeiser

Eiser heeft gelijktijdig met een verzoek tot schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een dwangakkoord ex artikel 287a Faillissementswet. Het aanbod hield in dat eiser binnen 36 maanden een deel van zijn schulden zou aflossen, waarbij de schuldeisers het resterende deel zouden kwijtschelden. Alle schuldeisers behalve WestlandUtrecht, de grootste schuldeiser met bijna 57% van de schuldenlast, stemden in met het aanbod.

WestlandUtrecht voerde verweer en stelde dat het dwangakkoord niet bedoeld is voor situaties waarin de grootste schuldeiser weigert mee te werken, en dat eiser zijn schulden via afbetalingsregelingen volledig zou kunnen voldoen. De rechtbank oordeelde dat het dwangakkoord ook kan worden toegepast tegen de grootste schuldeiser indien een meerderheid van schuldeisers instemt en het akkoord financieel gunstiger is dan de wettelijke schuldsaneringsregeling.

De rechtbank stelde vast dat eiser een stabiel inkomen heeft en dat het aangeboden akkoord financieel voordeliger is voor de schuldeisers dan de wettelijke regeling. Bovendien zou volledige aflossing via afbetalingsregelingen circa 35 jaar duren, wat niet als een redelijke termijn wordt gezien. Daarom werd het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord toegewezen en werd WestlandUtrecht veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van het dwangakkoord wordt toegewezen en WestlandUtrecht wordt veroordeeld tot instemming en betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/352807 / FT RK 13/2265
uitspraakdatum: 21 november 2013
uitspraak op grond van artikel 287a van de Faillissementswet (Fw)
enkelvoudige kamer
in de zaak van
[eiser],
geboren op [1970] te [geboorteplaats],
wonende te [adres], [woonplaats],
hierna: [eiser],
tegen
WestlandUtrecht Bank N.V.,
gevestigd te Amsterdam,
postadres: Postbus 10394, 1001 EJ Amsterdam,
gemachtigde: Vesting Finance Incasso en credit management,
hierna: WestlandUtrecht.

1.De procedure

1.1.
Door [eiser] is tegelijk met het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling een verzoek ingediend tot het instellen van een dwangakkoord als bedoeld in artikel 287a Fw, hierna: het verzoek. Het verzoek is behandeld ter terechtzitting van 14 november 2013. Hierbij zijn verschenen:
  • [eiser];
  • mevrouw L. Eisses, schuldhulpverlener;
  • mevrouw L. van Dongen, schuldhulpverlener.
1.2.
WestlandUtrecht heeft bij faxbericht van 8 november 2013 verweer gevoerd en daarbij de rechtbank in kennis gesteld dat zij niet ter zitting zal verschijnen.

2.Het verzoek

2.1.
[eiser] heeft middels zijn schuldhulpverlener op of rond 24 juni 2013 een aanbod gedaan aan zijn schuldeisers. Alle schuldeisers behalve WestlandUtrecht hebben met dat aanbod ingestemd.
2.2.
[eiser] heeft verzocht om WestlandUtrecht te bevelen alsnog met het aanbod in te stemmen.

3.Het verweer

3.1.
WestlandUtrecht voert verweer en stelt dat het verzoek dient te worden afgewezen. Zij stelt daartoe (kort gezegd) dat de wettelijke regeling van het dwangakkoord niet is bedoeld voor een situatie waarin de weigerende schuldeiser het grootste deel van de totale schuldenlast vertegenwoordigd. Tevens stelt WestlandUtrecht –zo begrijpt de rechtbank– dat er geen sprake is van een zo problematische schuldenlast dat [eiser] niet middels afbetalingsregelingen zijn schulden (volledig) zou kunnen voldoen.

4.De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

4.1.
Het aanbod van [eiser] houdt –kort en zakelijk weergegeven– het volgende in. [eiser] zal in de aangeboden looptijd van 36 maanden zijn inkomen reserveren boven het (op basis van de Recofa-richtlijnen berekende) vrij te laten bedrag. Deze reserveringen worden door de schuldhulpverlener na jaarlijkse hercontrole aan de schuldeisers uitgekeerd. In het aanbod heeft de schuldhulpverlener geprognosticeerd dat op de hiervoor omschreven wijze circa 15,87% op elke concurrente vordering en circa 31,74% op elke preferente vordering kan worden voldaan. Volgens het aanbod dienen de schuldeisers het resterende deel van hun vordering op [eiser] kwijt te schelden. De schuldenlast van [eiser] bedraagt ten tijde van het aanbod in totaal € 129.699,33 verdeeld over 9 concurrente schuldeisers en een preferente vordering van € 2.210,00.
4.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Het verzoek kan slechts worden toegewezen als WestlandUtrecht in redelijkheid niet tot weigering van het aanbod heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [eiser] of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad. Het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling van [eiser] acht de rechtbank op voorhand groot. Derhalve moet beoordeeld worden of in financieel opzicht de schuldeisers beter af zijn met de wettelijke schuldsaneringsregeling of met het aangeboden akkoord. [eiser] beschikt sinds 2007 over dezelfde fulltime baan en heeft een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Met afdoende zekerheid kan dan ook worden gezegd dat zijn inkomen de komende drie jaar zowel in de wettelijke schuldsaneringsregeling als het aangeboden akkoord gelijk zal zijn. Per 1 oktober 2013 komen in de wettelijke schuldsaneringsregeling de kosten voor de bewindvoerder volledig ten laste van het boedelactief. Deze kosten bedragen circa € 2.920,00 exclusief btw. Daarbovenop komen de griffierechten voor het deponeren van de uitdelingslijst van € 581,00. In het aangeboden akkoord brengt de schuldhulpverlener geen kosten in rekening en wordt geen uitdelingslijst gedeponeerd. Bij een gelijkblijvend inkomen volgt hieruit dat het aangeboden akkoord financieel gunstiger is voor de schuldeisers dan een wettelijke schuldsaneringsregeling.
4.3.
Anders dan WestlandUtrecht stelt volgt uit de wettelijke bepalingen noch uit de wetsgeschiedenis dat het dwangakkoord niet zou zijn bedoeld om een schuldeiser die het grootste aandeel heeft in de schuldenlast te dwingen mee te werken. Dit kan ook niet worden afgeleid uit eerdere uitspraken van deze rechtbank (zie bijvoorbeeld Rb Utrecht, 5 januari 2012, JOR 2012/95), waar een verzoek dwangakkoord tegen de schuldeiser die 100% van de schuldenlast van de verzoeker in handen had niet- ontvankelijk is verklaard. In het systeem van de Faillissementswet is bij een aangeboden akkoord steeds sprake van een meerderheid van schuldeisers die een (dwarsliggende) minderheid dwingt mee te werken aan een voor de gezamenlijke schuldeisers gunstig akkoord. In het onderhavige geval vertegenwoordigd WestlandUtrecht weliswaar bijna 57% van de schuldenlast, maar hebben 9 van de 10 schuldeisers met het aangeboden akkoord ingestemd. Er is sprake van een voor de gezamenlijkheid van de schuldeisers gunstig akkoord aangezien met het akkoord een hogere aflossing wordt bereikt. Ook volgt de rechtbank WestlandUtrecht niet in haar stelling dat [eiser] middels afbetalingsregelingen volledig zijn schulden zou kunnen afbetalen. Uit het verzoekschrift blijkt dat [eiser] een afloscapaciteit heeft van circa € 312,00 per maand. Dit houdt in dat volledige aflossing van zijn schuldenlast weliswaar in theorie mogelijk is, maar dat (nog afgezien van de eventuele verzuimrente en incassokosten) dit circa 35 jaar zou vergen. Dit kan niet worden gezien als een afzienbare termijn.
4.4.
Het verzoek tot vaststelling van een dwangakkoord zal op grond van het voorgaande worden toegewezen.
4.5.
WestlandUtrecht zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op nihil.

5.Beslissing

De rechtbank
5.1.
beveelt WestlandUtrecht in te stemmen met de onder 4.1 bedoelde schuldregeling;.
5.2.
veroordeelt WestlandUtrecht tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [eiser], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.H.F. van Vugt en in het openbaar uitgesproken op
21 november 2013.