ECLI:NL:RBMNE:2013:7046
Rechtbank Midden-Nederland
- Tussenuitspraak
- Rechtspraak.nl
Tussenuitspraak over onvoldoende gemotiveerde weigering VOG na zedendelict
Eiser verzocht om een verklaring omtrent het gedrag (VOG) voor het verkrijgen van een chauffeurskaart. Verweerder weigerde de VOG vanwege een eerdere veroordeling voor een zedendelict uit 2004, waarbij het objectieve criterium voor weigering was vervuld. Verweerder stelde dat de weigering niet evident disproportioneel was op grond van het subjectieve criterium.
Eiser voerde aan dat verweerder de beleidsregels 2013 ten onrechte toepaste in plaats van de beleidsregels 2012, en dat de motivering voor de weigering op basis van het subjectieve criterium onvoldoende was. De rechtbank oordeelde dat de beleidsregels 2013 niet ongunstiger waren en dat de beroepsgrond daarom faalde. Wel concludeerde de rechtbank dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom de persoonlijke omstandigheden van eiser, zoals zijn integratie en het tijdsverloop sinds het delict, niet tot twijfel over de weigering leidden.
De rechtbank stelde vast dat verweerder niet had aangetoond dat de weigering van de VOG niet evident disproportioneel was, en dat het besluit in strijd was met het motiveringsbeginsel en artikel 7:12, eerste lid, Awb. Daarom werd verweerder in de gelegenheid gesteld het gebrek binnen zes weken te herstellen, waarna de rechtbank het verdere proces aanhoudt.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de weigering van de VOG onvoldoende is gemotiveerd en geeft de staatssecretaris zes weken om het besluit te herstellen.