Eiser verzocht op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) om verslagen en maandoverzichten van de Binnenlandse Veiligheidsdienst over de jaren 1959 tot en met 1969. Verweerder, de Minister van Algemene Zaken, weigerde delen van deze documenten openbaar te maken, onder meer op grond van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten 2002 (Wiv 2002) en de bescherming van de veiligheid van de Staat.
De rechtbank stelt vast dat de Wiv 2002 een gesloten openbaarheidsregeling bevat die voorrang heeft boven de Wob, waardoor persoonsgegevens als zodanig mogen worden geweigerd. Echter, verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom persoonsgegevens van zeer bekend veronderstelde personen niet openbaar mogen worden gemaakt. Tevens heeft verweerder functies geweigerd openbaar te maken zonder belangenafweging, wat niet is toegestaan.
Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder onterecht de rubricering op documenten niet openbaar heeft gemaakt, terwijl deze feitelijk wel op de inventarislijst wordt vrijgegeven. Ook is het weigeren van openbaarmaking van informatie vanwege vermeende persoonlijke beleidsopvattingen onterecht voor een aantal documenten. De rechtbank draagt verweerder op de gebreken te herstellen en tot openbaarmaking over te gaan, met een hersteltermijn van zes weken.