De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 23 december 2013 het verzoek tot toetsing van de voortzetting van een ISD-maatregel opgelegd aan een veroordeelde die verblijft in PI Wolvenplein te Utrecht. De maatregel was oorspronkelijk opgelegd voor twee jaar en de vraag was of deze voortgezet moest worden.
Uit voortgangsverslagen en getuigenverklaringen bleek dat de veroordeelde onvoldoende gemotiveerd was om deel te nemen aan de geboden behandelingen, zoals een klinisch behandeltraject gericht op middelengebruik en LVB-problematiek. Ondanks terugplaatsing naar de ISD-afdeling en gesprekken met casemanagers, weigerde hij diverse opvang- en behandelopties, waaronder plaatsing in een hostel of kliniek Wier Plus.
De verdediging stelde dat er onvoldoende onderzoek was gedaan naar behandelopties en dat de ISD-maatregel op dat moment geen meerwaarde bood. De officier van justitie en de rechtbank concludeerden echter dat de maatregel primair dient ter beveiliging van de maatschappij en het beëindigen van stelselmatige recidive. Het risico op recidive en maatschappelijke overlast bij beëindiging werd als hoog ingeschat.
Daarom besloot de rechtbank de ISD-maatregel te continueren, ondanks het ontbreken van een geschikte behandeling binnen de resterende looptijd van de maatregel. De rechtbank baseerde zich op artikel 38s Wetboek van Strafrecht en de adviezen van deskundigen en casemanagers.