ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ1296

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
15 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
16/656419-12 [P]
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs actieve rol verdachte bij geweldpleging

Op 20 oktober 2012 vond bij het winkelcentrum Overvecht te Utrecht een geweldsincident plaats waarbij de benadeelde zware verwondingen opliep, waaronder een zware hersenschudding en een dubbele kaakbreuk. Verdachte werd ervan verdacht samen met anderen dit geweld te hebben gepleegd, met als primair ten laste gelegde feit poging tot doodslag.

Tijdens de zitting verklaarde de benadeelde aanvankelijk niets te herinneren, maar later gaf hij aan nachtmerries en herbelevingen te ervaren van de mishandeling. De rechtbank twijfelde echter aan de betrouwbaarheid van deze herbelevingen vanwege inconsistenties met getuigenverklaringen en het ontbreken van ondersteunend bewijs.

Getuigenverklaringen verschilden over de rol van verdachte; sommige zagen verdachte en een medeverdachte de benadeelde vasthouden, terwijl een andere verdachte hem schopte. De verklaringen konden niet met zekerheid worden vastgesteld en de rechtbank vond dat niet buiten redelijke twijfel stond dat verdachte een actieve rol had gespeeld bij het geweld.

De officier van justitie vorderde een veroordeling, maar de verdediging verzocht om vrijspraak. De rechtbank oordeelde dat het bewijs onvoldoende was om verdachte te veroordelen en sprak hem vrij. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat de strafzaak vrijspraak opleverde.

Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van actieve rol bij het gepleegde geweld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
parketnummer: 16/656419-12 [P]
vonnis van de meervoudige kamer d.d. 15 februari 2013
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [1991] te [geboorteplaats]
wonende te [woonplaats], [adres]
raadsman mr. A. Boumanjal, advocaat te Utrecht
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 1 februari 2013, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
op 20 oktober 2012 te Utrecht heeft geprobeerd samen met anderen [benadeelde] van het leven te beroven (primair), dan wel samen met anderen zwaar lichamelijk letstel heeft toegebracht (subsidiair), dan wel openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen die [benadeelde] (meer subsidiair).
3 De voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
4.1 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair ten laste heeft begaan.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van het primair, subsidiair en meer-subsidiair ten laste gelegde kan komen en heeft de rechtbank om vrijspraak verzocht.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Op grond van het strafdossier en het verhandelde ter terechtzitting, staat vast dat tegen aangever [benadeelde] op 20 oktober 2012, tussen 20:30 en 21:00 uur, te Utrecht bij het winkelcentrum Overvecht geweld is gebruikt en dat als gevolg daarvan aangever een zware hersenschudding, een dubbele kaakbreuk en een schouderluxatie heeft opgelopen.
De rechtbank staat in de onderhavige strafzaak voor de beantwoording van de vraag welke rol verdachte bij het hiervoor genoemde geweld heeft gespeeld.
Aangever heeft aanvankelijk, op 6 november 2012, verklaard dat hij zich van de betreffende gebeurtenissen niets meer kon herinneren. Nadien, op 29 januari 2013, heeft aangever verklaard dat hij nadat hij uit het ziekenhuis was ontslagen thuis nachtmerries kreeg. Daarnaast kwamen er momenten waarop hij de mishandeling herbeleefde. Tijdens die herbeleving zag hij dat hij van een jongen een klap op zijn gezicht kreeg en op de grond terecht kwam, dat deze jongen hem met zijn vuist heeft geslagen, dat deze jongen op hem zat en hem sloeg, dat terwijl hij op de grond lag er opeens nog twee andere jongens waren die ieder aan een kant van hem stonden en dat deze jongens hem schopten en sloegen. Ter terechtzitting is aangever als getuige gehoord. Hij heeft toen verklaard dat in nachtmerries flitsen van de mishandeling terugkwamen, dat hij daarbij op de grond in een plas bloed lag, dat er iemand op hem zat en dat er links en rechts personen stonden die hem sloegen en schopten. Desgevraagd heeft aangever verklaard dat hij deze beelden van boven toekijkend ziet, vanuit een soort helicopterview.
Hoewel de rechtbank niet twijfelt aan de oprechtheid van de verklaring van aangever op 29 januari 2013 en ter terechtzitting, twijfelt zij wel aan de betrouwbaarheid van de herbeleving. De inhoud van de herbeleving is niet in overeenstemming met de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over de rol van de twee andere jongens. Daarnaast biedt het dossier geen steun voor de door aangever geschetste plas bloed, terwijl ook het feit dat aangever bij de herbeleving zichzelf ziet liggen vanuit een soort helicopterview niet lijkt te wijzen op een directe herinnering. Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de inhoud van de herbeleving onvoldoende betrouwbaar om voor het bewijs te gebruiken.
Getuige [getuige 3] heeft op 20 oktober 2012 aan verbalisant [verbalisant] verklaard dat zij zag dat er minstens vier jongens aangever in elkaar sloegen. Tevergeefs is door de politie getracht om deze getuige nader te horen. De officier van justitie heeft voorwaardelijk verzocht om getuige [getuige 3] alsnog te horen. De rechtbank wijst dit verzoek af nu de officier van justitie dit verzoek, mede gelet op de inhoud van het dossier, onvoldoende concreet heeft onderbouwd en de rechtbank het ook overigens niet noodzakelijk acht om deze getuige te horen.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft bij de politie verklaard dat hij die avond op een familiefeest was, dat verdachte naar hem toe kwam en vroeg of hij mee wilde komen omdat medeverdachte [medeverdachte 2] ruzie had. Daarna is medeverdachte [medeverdachte 1] met verdachte naar het winkelcentrum Overvecht gereden. Toen verdachte de auto parkeerde waren [medeverdachte 2] en aangever al bezig met de ruzie, aldus medeverdachte [medeverdachte 1], waarna medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte zijn uitgestapt om [medeverdachte 2] en aangever uit elkaar te halen. Daarbij zijn medeverdachte [medeverdachte 1] en verdachte, zo heeft medeverdachte [medeverdachte 1] verklaard, er tussen gaan zitten, hebben [medeverdachte 2] en aangever uit elkaar getrokken en hebben aangever overeind geholpen. Verdachte heeft een gelijkluidende verklaring afgelegd.
Getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben verklaard dat de twee jongens, zijnde verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1], aangever vasthielden en op de grond gedrukt hielden waarna de eerste jongen, zijnde verdachte [medeverdachte 2], aangever tegen zijn gezicht schopte.
Naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] op enig moment aangever hebben vastgehouden toen hij op de grond lag. Die handeling is door de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] anders geduid dan de betekenis die daaraan volgens de verdediging moet worden gegeven. Hoewel de duiding die de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] hebben gegeven aan hetgeen zij hebben gezien juist zou kunnen zijn, kan ook niet worden uitgesloten dat zij zich hebben vergist, te meer omdat alles zich in zeer korte tijd heeft afgespeeld. Voor de rechtbank staat op grond van het vorenstaande niet buiten redelijke twijfel vast dat verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] een actieve rol hebben gespeeld bij het jegens aangever gebruikte geweld.
De rechtbank acht gelet op het vorenstaande niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair, subsidiair en meer-subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan en zal hem dan ook daarvan vrijspreken.
5 De benadeelde partij
De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 7.941,20 voor het ten laste gelegde feit.
Verdachte is vrijgesproken van het feit waaruit de schade is ontstaan.
De rechtbank zal daarom de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
6 De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van het primair, subsidiair en meer-subsidiair ten laste gelegde feit;
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Vanwersch, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. L.M.G. de Weerd, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 februari 2013.
Mr. M.A.A.T. Engbers is niet in de gelegenheid dit vonnis mee te ondertekenen.