ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ5572

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
1 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
337164 / HARK 13-36
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 512 SvArt. 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechters in strafzaak wegens vermeende partijdigheid

Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen mrs. Iedema en Oostendorp, rechters in zijn strafzaak, wegens vermeende partijdigheid en het vermoeden dat de rechtbank de zaak voortvarend wilde afdoen ten koste van waarheidsvinding.

De rechtbank beoordeelde het wrakingsverzoek aan de hand van artikel 512 Sv Pro en artikel 6 EVRM Pro, waarbij zij oordeelde dat onpartijdigheid van rechters wordt vermoed tenzij uitzonderlijke omstandigheden het tegendeel aantonen. Verzoeker stelde dat de afwijzing van getuigenverzoeken en de strakke planning van de rechtbank aanleiding gaven tot vrees voor vooringenomenheid.

De rechters hebben gemotiveerd weersproken dat de voorzitterswissel invloed had op hun beslissingen en verklaarden onafhankelijk te hebben geoordeeld. De rechtbank vond geen objectieve feiten die de vrees voor onpartijdigheid rechtvaardigen.

Daarom wees de rechtbank het wrakingsverzoek af en bepaalde dat de strafzaak in de stand van schorsing wordt voortgezet. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechters is afgewezen en de strafzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingslocatie Lelystad
Zaaknummer: WK2013/003
Rekestnummer: 337164 / HARK 13-36
beslissing van 1 maart 2013 van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken
op het verzoek in de zin van artikel 512 Wetboek Pro van Strafvordering van:
[Verzoeker],
wonende te [woonplaats],
verzoeker,
advocaat mr. I. Appel te Amsterdam,
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 30 januari 2013
- het schriftelijke verweer van mr. M.C. Oostendorp van 12 februari 2013
- het schriftelijke verweer van mr. M. Iedema van 13 februari 2013
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling op 15 februari 2013.
1.2. Bij de mondelinge behandeling zijn verschenen:
- verzoeker, bijgestaan door mr. P.R. de Korte, een kantoorgenoot van mr. I. Appel
- mr. M. Iedema.
1.3. Mr. M.C. Oostendorp heeft laten weten niet te zullen verschijnen.
2. Het wrakingsverzoek
2.1. Het verzoek tot wraking is gericht tegen mrs. Iedema en Oostendorp als rechters in de strafzaak tegen verzoeker als verdachte.
2.2. Verzoeker heeft aangevoerd in de loop van de procedure een aantal keer de indruk te hebben gehad dat de rechtbank de onderhavige strafzaak ten koste van de waarheidsvinding in een zeer kort tijdsbestek heeft willen afdoen. Zo is een deel van de getuigenverzoeken afgewezen omdat de verdediging geen belang zou hebben bij het horen van die getuigen. Voorts is meermalen door de verdediging het verzoek gedaan tot het verrichten van nader onderzoek en het horen van getuigen in Suriname. De rechtbank heeft deze verzoeken met een standaardmotivering afgewezen. Daarnaast is de planning van het horen van de getuigen door een te strakke planning van de rechtbank in het gedrang gekomen. Toen vervolgens bleek dat de voorzitter van de meervoudige kamer per 1 januari 2013 van functie is veranderd en om die reden zich heeft teruggetrokken als voorzitter, is de schijn ontstaan dat de rechters het op voortvarende wijze afdoen van de zaak hebben laten prevaleren boven de waarheidsvinding.
2.3. Mrs. Iedema en Oostendorp hebben laten weten niet in de wraking te berusten en hebben verweer gevoerd. Dat verweer wordt hierna zover nodig besproken.
3. De beoordeling
3.1. Voor de beoordeling van het wrakingsverzoek wordt de toepasselijke norm gegeven door zowel artikel 512 van Pro het Wetboek van strafvordering als door artikel 6 EVRM Pro, dit alles in samenhang met de door de Hoge Raad en de door het Europese Hof voor de Rechten van de Mens ontwikkelde criteria. Van een gebrek aan onpartijdigheid kan, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de betrokken rechter, ook sprake zijn indien objectief bepaalde feiten of omstandigheden de rechtzoekende grond geven te vrezen dat het een rechter in die omstandigheden aan onpartijdigheid ontbreekt.
3.2. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de hiervoor bedoelde zin dient voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens de verdachte een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij de verdachte bestaande vrees dienaangaande objectief gerechtvaardigd is.
3.3. Er zijn geen feiten en/of omstandigheden gesteld dan wel gebleken op grond
waarvan thans geoordeeld kan worden dat er sprake is van persoonlijke vooringenomenheid van mrs. Iedema en Oostendorp jegens verzoeker. Derhalve zal naar objectieve maatstaven moeten worden beoordeeld of sprake is van feiten en omstandigheden die verzoeker grond hebben gegeven voor de vrees dat het mrs. Iedema en Oostendorp aan onpartijdigheid heeft ontbroken.
3.4. De rechtbank is van oordeel dat zulks in casu niet het geval is. Mrs. Iedema en Oostendorp hebben gemotiveerd weersproken dat de voorzitterswissel invloed op hun beslissingen om een aantal getuigen niet te horen heeft gehad. Zij hebben aangevoerd een zelfstandig deel van de meervoudige kamer te zijn en geen andere zaken te laten meewegen in hun beslissingen. Voorts hebben mrs. Iedema en Oostendorp aangevoerd dat zij ten tijde van alle pro forma zittingen en het voorzittersoverleg van 15 september 2012 niet bekend waren met de vacature bij het kabinet RC, laat staan dat te voorzien was dat de voorzitter de functie van teamleider daar zou gaan vervullen. Ter zitting heeft mr. Iedema hieraan toegevoegd dat zij pas op 20 december 2012 wist dat de voorzitter een andere functie kreeg. De rechtbank is van oordeel dat thans geen enkele aanleiding bestaat om aan de verklaring rechters te twijfelen. Derhalve zijn er naar objectieve maatstaven geen feiten en omstandigheden aan te wijzen die grond hebben gegeven voor de vrees dat het mrs. Iedema en Oostendorp aan onpartijdigheid heeft ontbroken.
3.5. De rechtbank zal het verzoek dan ook afwijzen.
4. De beslissing
De rechtbank
4.1. wijst het verzoek tot wraking van mrs. Iedema en Oostendorp af;
4.2. draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, zijn raadsman en mrs. Iedema en Oostendorp, alsmede aan de voorzitter van de sector strafrecht en de president van deze rechtbank;
4.3. bepaalt dat de strafzaak tegen verzoeker dient te worden voorgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door de mrs. O.E. Mulder, S.M. Lieshout en C.J. Hofman in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Weistra en in openbaar uitgesproken op 1 maart 2013.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.