ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ5590

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
16-512452-09 en 16-511675-10
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14 lid 3 Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994Art. 77t Wetboek van Strafrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging maatregel plaatsing in inrichting voor jeugdigen wegens voortzetting scholingsprogramma

De rechtbank Midden-Nederland heeft op 19 maart 2013 de vordering van de officier van justitie toegewezen tot verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van de veroordeelde. Deze maatregel was opgelegd bij arrest van het gerechtshof Amsterdam op 6 april 2011 wegens recidiverend gewelddadig gedrag.

De behandeling van de veroordeelde is positief verlopen, waarbij het recidiverisico is teruggebracht van hoog naar matig. Sinds 10 december 2012 volgt de veroordeelde een scholings- en trainingsprogramma dat zes maanden duurt en tot 19 juli 2013 loopt. Dit programma is bedoeld om de geleerde gedragsveranderingen binnen de maatschappij te kunnen toepassen en om te leren omgaan met vrijheden en verantwoordelijkheden.

De rechtbank constateert dat verlenging noodzakelijk is om het programma af te ronden en een stabiele woonplek en dagbesteding te waarborgen, wat het recidiverisico verlaagt. Hoewel het advies van de inrichting niet volledig voldoet aan artikel 14 lid 3 van Pro het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994, is de veroordeelde hierdoor niet in zijn belangen geschaad. De rechtbank acht verlenging van de maatregel met drie maanden noodzakelijk in het belang van de veiligheid en de ontwikkeling van de veroordeelde.

Uitkomst: De maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt met drie maanden verlengd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/512452-09 en 16/511675-10
Beschikking van de meervoudige strafkamer van 19 maart 2013 op de vordering verlenging van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van de officier van justitie in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1994],
thans verblijvende in JJI De Heuvelrug, locatie Eikenstein, te Zeist
en/of op het adres [woonplaats], [adres].
Veroordeelde is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem d.d. 6 april 2011 veroordeeld tot – onder meer – de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.
1. De inhoud van de vordering
De vordering van de officier van justitie, ingekomen ter griffie op 12 februari 2013 strekt tot het verlengen van de termijn van genoemde maatregel met drie maanden.
2. De procesgang
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken in de zaak met bovenvermeld parketnummer, waaronder:
- voormeld arrest;
- het op 16 januari 2013 op grond van artikel 14 van Pro het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 uitgebrachte advies, strekkende tot verlenging van deze maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de maatregel) met drie maanden, alsmede de daarbij overgelegde aantekeningen;
- voormelde vordering.
De rechtbank heeft op 5 maart 2013 de officier van justitie, de tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen veroordeelde (hierna: veroordeelde) en diens raadsman mr. B.M.E. Drykoningen, advocaat te Utrecht, en de deskundige P.P.L.J. Wentink, klinisch psycholoog en verbonden aan JJI De Heuvelrug, locatie Eikenstein, in de raadkamer met gesloten deuren gehoord.
3. De beoordeling
3.1 Het standpunt van de inrichting
Het standpunt van de inrichting blijkt uit het onder 2 genoemde advies. De deskundige P.P.L.J. Wentink heeft het advies van de inrichting ter zitting toegelicht. Het standpunt luidt – zakelijk weergegeven – als volgt.
De maatregel is ingegaan na het onherroepelijk worden van het arrest op 21 april 2011. De behandeling van veroordeelde is tot op heden positief verlopen en de kans op herhaling van een geweldsincident is sinds de start van de maatregel teruggebracht van hoog naar matig. Veroordeelde is meer doelgericht bezig en is zich bewuster van zijn keuzes en de eventuele gevolgen hiervan. Om die reden is op 10 december 2012 begonnen met een scholings- en trainingsprogramma. Vanaf die datum woont hij weer bij zijn ouders in Utrecht. Via dit programma kan veroordeelde laten zien dat hij hetgeen hij binnen de instelling heeft geleerd ook buiten de instelling – in de maatschappij – kan toepassen en voortzetten en dat hij met vrijheden en verantwoordelijkheden kan omgaan. Gezien de duur van de behandeling en de ernst van de problematiek van veroordeelde is ondersteuning van veroordeelde middels een scholings- en trainingsprogramma van ten minste zes maanden vereist om een woonplek en goede dagbesteding – werk, scholing en vrijetijdsbesteding – te kunnen waarborgen. Het hebben en behouden van een woonplek en goede dagbesteding, waarbij veroordeelde begeleiding en ondersteuning kan ontvangen die aansluit bij zijn capaciteiten en waarvoor hij is gemotiveerd, heeft een verlagende werking op het recidiverisico. Het scholings- en trainingsprogramma loopt bij een duur van zes maanden tot 19 juli 2013. Verlenging van de maatregel met een periode van drie maanden is dan ook noodzakelijk.
3.2 Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij haar vordering om de maatregel van veroordeelde te verlengen met een periode van drie maanden.
3.3 Het standpunt van de veroordeelde en diens raadsman
De raadsman heeft bepleit dat de vordering van de officier van justitie dient te worden afgewezen.
Ten eerste is er sprake van een gemaximeerde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, nu voornoemde maatregel niet is opgelegd ter zake van een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam.
Ten tweede voldoet het advies van de inrichting niet aan het in artikel 14 lid 3 Besluit Pro tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994 gestelde, nu het advies niet tevens beschouwingen van de jeugdreclassering bevat over de wenselijkheid van de verlenging van de maatregel.
Ten derde blijkt uit het advies van de inrichting niet waarom verlenging van de maatregel noodzakelijk is.
3.4 De beoordeling
De rechtbank overweegt dat er in deze zaak geen sprake is van een gemaximeerde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen. Uit het arrest van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem d.d. 6 april 2011 blijkt dat het gerechtshof destijds de maatregel heeft opgelegd ter zake van ondermeer diefstal met geweld tegen personen. Naar het oordeel van het gerechtshof leek verdachte met de bewezen verklaarde feiten in steeds gewelddadiger gedrag te recidiveren en eiste de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel.
De rechtbank stelt vast dat de het advies van de inrichting niet voldoet aan artikel 14 lid 3 van Pro het Besluit tenuitvoerlegging jeugdstrafrecht 1994. De rechtbank zal hieraan echter geen gevolgen verbinden, omdat de veroordeelde door dit verzuim niet in zijn belangen is geschaad. Bij het advies van de inrichting zitten weliswaar geen beschouwingen van de jeugdreclassering over de wenselijkheid van de verlenging van de maatregel, maar de deskundige heeft ter zitting verklaard dat hij, ten aanzien van het door hem uitgebrachte advies, overleg heeft gehad met de reclassering en dat deze het advies ondersteunt. De rechtbank stelt dan ook vast dat zowel de inrichting als de reclassering van mening is dat verlenging van de maatregel noodzakelijk is.
De rechtbank stelt vast dat de behandeling van veroordeelde tot op heden positief is verlopen, maar de veroordeelde – middels het voltooien van zijn deelname aan een zes maanden durend scholings- en trainingsprogramma – nog moet laten zien dat hij hetgeen hij bij de behandeling in de inrichting heeft geleerd ook in de maatschappij kan – blijven – toepassen en dat hij met vrijheden en verantwoordelijkheden kan omgaan. Met behulp van voornoemd programma worden een woonplek en goede dagbesteding gewaarborgd en krijgt veroordeelde begeleiding en ondersteuning.
Gelet op voorrmeld advies, het verhandelde in raadkamer en artikel 77t Wetboek van Strafrecht, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen en een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van veroordeelde eisen dat de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen met drie maanden wordt verlengd.
4. Beslissing
De rechtbank:
wijst de vordering van de officier van justitie toe en verlengt de termijn van de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen van [verdachte] voornoemd met drie maanden.
Deze beschikking is genomen door:
mr. L.M.G. de Weerd, voorzitter tevens kinderrechter,
mrs. M.J. Veldhuijzen en T. Reichardt, rechters,
in tegenwoordigheid van drs. E.M.S. Arduin, griffier
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 maart 2013.
Mr. T. Reichardt is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.