ECLI:NL:RBMNE:2013:CA2155

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 april 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
16/655534-12
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 22g lid 3 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bezwaarschrift tegen omzetting werkstraf in jeugddetentie ongegrond verklaard

Veroordeelde was veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur, subsidiair 20 dagen jeugddetentie. De Raad voor de Kinderbescherming rapporteerde dat veroordeelde de werkstraf niet naar behoren had uitgevoerd en onvoldoende motivatie toonde. Na meerdere waarschuwingen en een laatste kans in een groepswerkproject, waarbij veroordeelde zich versliep en niet verscheen, adviseerde de Raad om de resterende werkstraf om te zetten in jeugddetentie.

De officier van justitie besloot tot omzetting van de resterende 29,5 uur werkstraf in 14 dagen jeugddetentie. Veroordeelde maakte bezwaar tegen deze omzetting, stellende dat een herkansing wenselijk was vanwege thuissituatieproblemen. Tijdens de zitting werd bevestigd dat de begeleiding moeizaam verliep en dat ook een andere werkstraf niet was voltooid.

De rechtbank oordeelde dat veroordeelde ondanks waarschuwingen en kansen onvoldoende had gepresteerd en geen omstandigheden had aangevoerd die hem vrijwaren van verwijt. Een herkansing zou een verkeerd signaal geven. Gezien de opleiding van veroordeelde gaf de rechtbank de voorkeur aan uitvoering van de jeugddetentie in de zomervakantie.

Uitkomst: Het bezwaarschrift tegen de omzetting van werkstraf in jeugddetentie is ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/655534-12
Beslissing op het bezwaarschrift omzetting taakstraf ex artikel 22g lid 3 van het wetboek van strafrecht.
Beslissing op het bezwaarschrift omzetting taakstraf in de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen:
[verdachte],
geboren op [1995] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres].
1 De procedure.
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht van 11 december 2012;
- de eindrapportage taakstraf van de Raad voor de Kinderbescherming d.d. 19 maart 2013;
- de kennisgeving van de officier van justitie tot omzetting werkstraf naar jeugddetentie d.d. 2 april 2013;
- het door de raadsman ingediende bezwaarschrift tegen kennisgeving omzetting d.d. 11 april 2013;
- de conclusie op bezwaarschrift van de officier van justitie d.d. 12 april 2013;
- de overige stukken;
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord.
Tevens zijn de veroordeelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, en mw. C. Haffmans (Bureau Jeugdzorg) gehoord.
2 De beoordeling.
Bij voormeld vonnis heeft de rechtbank – onder andere – de ten uitvoerlegging gelast van een bij vonnis van 11 mei 2012 voorwaardelijk opgelegde werkstraf van 40 uren, subsidiair 20 dagen vervangende jeugddetentie.
De Raad voor de Kinderbescherming geeft in haar eindrapportage aan dat veroordeelde de werkstraf niet naar behoren heeft verricht. Veroordeelde toonde tijdens het intake gesprek bij het dierenasiel geen tot weinig motivatie, maar heeft toen het voordeel van de twijfel gekregen. Op de eerste werkdag van veroordeelde gaf het dierenasiel aan niet verder te willen met veroordeelde. Het gedrag van veroordeelde was ver onder de maat, hij voerde zijn taken met tegenzin uit en weigerde bepaalde werkzaamheden. Na intensief overleg met veroordeelde en zijn moeder is besloten hem een allerlaatste kans te bieden in het groepswerkproject. Aan veroordeelde is een officiële waarschuwing gegeven met de mededeling dat er niets meer fout mag gaan. Op 16 maart 2013 verscheen veroordeelde echter niet op het groepswerkproject omdat hij zich verslapen had. De Raad voor de Kinderbescherming adviseert om de vervangende jeugddetentie ten uit voer te leggen. Veroordeelde heeft uiteindelijk 10,5 uur gewerkt.
Bij beslissing van 2 april 2013 heeft de officier van justitie kenbaar gemaakt de resterende werkstraf, te weten 29,5 uur, om te zetten in een jeugddetentie voor de duur van 14 dagen. Deze beslissing is op 10 april 2013 niet in persoon aan de veroordeelde betekend.
De raadsman heeft namens veroordeelde bezwaar gemaakt tegen de omzetting. Het bezwaarschrift is op 12 april 2013 tijdig bij de rechtbank ingediend.
Ter terechtzitting heeft C. Haffmans een toelichting gegeven op het verloop van de maatregel hulp en steun. De begeleiding verloopt moeizaam, door de weerstand van de veroordeelde. Zij heeft daarnaast – kort gezegd – aangegeven dat een andere aan veroordeelde opgelegde werkstraf inmiddels ook teruggemeld is aan de officier van justitie. Dit betrof eveneens een groepsproject.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren.
De raadsman heeft ter terechtzitting verzocht veroordeelde nog een kans te geven. Veroordeelde heeft thuis veel problemen en een herkansing kan veroordeelde een stuk positiviteit brengen.
De rechtbank is van oordeel dat het door veroordeelde ingediende bezwaarschrift ongegrond dient te worden verklaard. Veroordeelde heeft ondanks waarschuwingen en herkansingen, niet de mogelijkheid aangegrepen om zijn werkstraf naar behoren af te ronden.
Van de kant van de veroordeelde zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat veroordeelde geen verwijt kan worden gemaakt dat de opgelegde taakstraf niet naar behoren is verricht. Een herkansing zou aan veroordeelde een verkeerd signaal geven.
De rechtbank geeft daarbij aan dat het, gelet op de opleiding van verdachte, de voorkeur heeft dat de tenuitvoerlegging van de jeugddetentie plaatsvindt in de zomervakantie van veroordeelde.
3 De beslissing.
De rechtbank verklaart het bezwaarschrift ongegrond.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. P.K. van Riemsdijk, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G. van Engelenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 25 april 2013.
Mr. E.A. Messer is niet in de gelegenheid deze beslissing mee te ondertekenen.