ECLI:NL:RBMNE:2013:CA2163

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 mei 2013
Publicatiedatum
22 juni 2013
Zaaknummer
16/514086-11
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14g SrArt. 366a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deels tenuitvoerlegging jeugddetentie en verlenging proeftijd wegens niet-naleving bijzondere voorwaarden

Veroordeelde is bij een eerder vonnis veroordeeld tot drie maanden voorwaardelijke jeugddetentie met een proeftijd van twee jaar, waarbij bijzondere voorwaarden golden omtrent begeleiding en dagbesteding. Uit een evaluatie van Bureau Jeugdzorg blijkt dat veroordeelde deze voorwaarden niet heeft nageleefd, ondanks waarschuwingen en kansen. De begeleiding verliep moeizaam door onvoldoende inzet en motivatie van veroordeelde, die ook zijn ADHD-medicatie niet gebruikte en nog steeds blowde.

De raadsvrouw voerde aan dat het mislukken van de begeleiding niet volledig aan veroordeelde te wijten is en dat hij recent werk heeft gevonden en zich heeft aangemeld voor een opleiding. De rechtbank acht de overgelegde stukken echter onvoldoende overtuigend en constateert dat deze ontwikkelingen pas recent zijn en na de terugmelding door Bureau Jeugdzorg hebben plaatsgevonden.

De rechtbank besluit daarom om een deel van de voorwaardelijke jeugddetentie van 45 dagen ten uitvoer te leggen en de proeftijd met één jaar te verlengen, zodat veroordeelde alsnog de noodzakelijke hulp en begeleiding kan ontvangen. Een omzetting van de jeugddetentie naar een werkstraf wordt afgewezen vanwege de aard en ernst van het oorspronkelijke feit.

De beslissing is genomen na een openbare terechtzitting waarbij ook de officier van justitie en Bureau Jeugdzorg zijn gehoord. De rechtbank benadrukt dat de inzet en houding van veroordeelde cruciaal zijn voor het slagen van de begeleiding.

Uitkomst: De rechtbank legt 45 dagen jeugddetentie ten uitvoer en verlengt de proeftijd met één jaar.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/514086-11
Beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging ex artikel 14g van het wetboek van strafrecht.
In de zaak van de officier van justitie onder het hierboven genoemde parketnummer tegen
[verdachte],
geboren op [1993] te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats], [adres],
heeft de officier van justitie de tenuitvoerlegging gevorderd van een aan veroordeelde opgelegde straf. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.
1 De procedure.
De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
- het vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Utrecht van 11 mei 2012;
- een kennisgeving als bedoeld in artikel 366a, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering;
- de evaluatie Plan van Aanpak van het Bureau Jeugdzorg d.d. 6 maart 2013 waaruit blijkt dat de veroordeelde de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- de overige stukken;
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord.
Tevens is de veroordeelde gehoord, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. E.D. van Elst, advocaat te Veenendaal, en mw. N. Broekhuijzen (Bureau Jeugdzorg).
2 De beoordeling.
Aan veroordeelde is bij voormeld vonnis – onder andere -een jeugddetentie opgelegd voor de duur van drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de proeftijd in het kader van de Maatregel Hulp en Steun zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen hem gegeven door of namens Bureau Jeugdzorg Utrecht zolang die instelling dat nodig vindt, ook als dat inhoudt dat veroordeelde:
• een intensieve behandeling bij De Waag en/of Kade 17 en/of Centrum Maliebaan moet volgen;
• met ingang van het nieuwe schooljaar (2012-2013) naar school gaat of een andere door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding aanhoudt.
Uit de evaluatie van Bureau Jeugdzorg (BJZ) volgt dat de begeleiding van veroordeelde, rekening houdend met zijn ADHD, over het algemeen niet goed verlopen is. Veroordeelde kwam afspraken niet na, was liever lui dan moe, was zelfbepalend en nam adviezen en meningen van anderen niet serieus. Zo heeft hij geen werk en zet hij zich onvoldoende in bij sollicitaties. Veroordeelde volgt geen opleiding en het traject van de gemeente is stopgezet omdat hij zich niet aan afspraken hield. Veroordeelde blowt, weliswaar minder, nog steeds. De behandeling bij Kade 17 is stopgezet omdat veroordeelde te laat op afspraken kwam of niet verscheen. Ook neemt hij zijn ADHD medicatie niet.
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij haar vordering.
Ter zitting heeft N. Broekhuijzen – zakelijk weergegeven – verklaard dat de begeleiding moeizaam is verlopen. Veroordeelde zag het nut van de begeleiding niet in en het ontbrak hem aan inzet en motivatie. Veroordeelde heeft nog wel begeleiding nodig, echter deze valt of staat met zijn houding en inzet, welke tot op heden niet verbeterd zijn. Dat veroordeelde thans werk zou hebben en zich heeft aangemeld voor een opleiding is knap. Indien veroordeelde begeleiding wenst zal hij zijn houding en inzet 180 graden moeten omdraaien.
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het mislukken van de begeleiding, gelet op zijn beperkingen, niet geheel aan veroordeelde is toe te rekenen. Veroordeelde heeft zich, weliswaar moeizaam, structureel gehouden aan de afspraken met BJZ. Voorts heeft veroordeelde thans werk en begint hij in september aan een opleiding. Hiertoe zijn door de raadsvrouw stukken overgelegd.
De raadsvrouw heeft primair bepleit de proeftijd te verlengen. Subsidiair heeft zij verzocht de vordering deels toe te wijzen en de ten uitvoer te leggen jeugddetentie om te zetten naar een werkstraf.
De rechtbank overweegt dat vanuit BJZ rekening is gehouden met de beperkingen van veroordeelde, maar dat hij zich ondanks diverse waarschuwingen en kansen niet aan de bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Van de kant van de veroordeelde zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen blijken dat veroordeelde geen verwijt kan worden gemaakt dat de opgelegde begeleiding en/of behandeling niet naar behoren is verlopen.
Veroordeelde heeft, gelet op het advies van N. Broekhuijzen, nog wel begeleiding en hulp nodig. Veroordeelde heeft ter zitting aangegeven dat hij inziet dat hij hulp en begeleiding nodig heeft en dat hij bereid is zich hiervoor in te zetten.
De door de raadsvrouw overgelegde stukken strekken ertoe om aan te tonen dat veroordeelde sinds kort werk heeft en zich heeft aangemeld voor een opleiding. Deze stukken overtuigen de rechtbank echter niet. Het betreft slechts een ongetekend briefje van de vader van de veroordeelde, zonder briefhoofd van het desbetreffende bedrijf en een uitdraai van een aanmelding voor een opleiding via internet. Uit die uitdraai blijkt niet van een intake of een toelating. Overigens zouden deze ontwikkelingen –wat hier overigens ook van zij- van zeer recente datum zijn en pas plaats hebben gevonden na de terugmelding door Bureau Jeugdzorg.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie deels dient te worden toegewezen, voor een deel groot 45 dagen.
Ten aanzien van de resterende voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie zal de rechtbank de proeftijd met één jaar verlengen, zodat veroordeelde alsnog de voor hem noodzakelijke en door hem gewenste hulp en begeleiding kan krijgen.
Omzetting naar een werkstraf van de deels ten uitvoer te leggen jeugddetentie is, gelet op de ernst en aard van het feit waarvoor veroordeelde destijds is veroordeeld, niet aan de orde.
3 De beslissing.
De rechtbank:
- gelast dat een gedeelte, groot 45 dagen, van de voorwaardelijke jeugddetentie, die bij voormeld vonnis is opgelegd ten uitvoer zal worden gelegd;
- verlengt ten aanzien van het overige deel van de voorwaardelijke jeugddetentie de proeftijd met één jaar;
- wijst de vordering na voorwaardelijke veroordeling van de officier van justitie voor het overige af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. P.K. van Riemsdijk, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier G. van Engelenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 mei 2013.
Mr. E.A. Messer is niet in de gelegenheid deze beslissing mee te ondertekenen.