AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak snorfietsdiefstal en taakstraf voor inbraak en fietsendiefstal in Wijk bij Duurstede
De rechtbank Midden-Nederland heeft verdachte veroordeeld voor meerdere inbraken in auto's en diefstal van fietsen gepleegd in Wijk bij Duurstede in de periode november 2010 tot januari 2011. Voor deze feiten werd verdachte een taakstraf van 120 uur opgelegd met een proeftijd van twee jaar.
Verdachte werd vrijgesproken van de diefstal van een snorfiets wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs; de aanwezige getuigenverklaringen waren auditu en bevatten geen eigen waarnemingen. De bewezenverklaring omvatte inbraken waarbij autoruiten werden ingeslagen en diverse goederen werden weggenomen, evenals diefstal van meerdere fietsen in vereniging met een ander.
De rechtbank hield rekening met het tijdsverloop tussen de feiten en de strafoplegging, alsmede met het strafblad van verdachte. De officier van justitie had een hogere straf geëist, maar de rechtbank matigde deze vanwege de lange duur van de procedure en het niet bewezen verklaren van één feit. Daarnaast werden schadevergoedingen aan benadeelden toegekend, met hoofdelijkheid en wettelijke rente, en werd vervangende hechtenis bij niet-nakoming van de taakstraf bepaald.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van snorfietsdiefstal en veroordeeld tot 120 uur taakstraf met hoofdelijk opgelegde schadevergoedingen voor inbraken en fietsendiefstal.
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/600084-11 (P)
vonnis van de meervoudige strafkamer van 6 mei 2013.
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1991],
gedetineerd uit anderen hoofde in het Huis van Bewaring “Wolvenplein” te Utrecht.
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 april 2013.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. W. Hendrickx, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
Feit 1: op 9 januari 2011, al dan niet samen met een ander, heeft ingebroken in de auto van [benadeelde 1].
Feit 2: op 9 januari 2011, al dan niet samen met een ander, in een zestal auto’s heeft ingebroken.
Feit 3: in de periode van 5 november 2010 tot en met 16 januari 2011, al dan niet samen met een ander, een vijftal fietsen heeft gestolen.
Feit 4, primair: in de periode van 23 november 2010 tot en met 24 november 2010 de snorfiets van [benadeelde 2] heeft gestolen.
Feit 4, subsidiair: in de periode van 23 november 2010 tot en met 24 november 2010 de snorfiets van [benadeelde 2] heeft geheeld.
3. Voorvragen
De dagvaarding is geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van de feiten 1 tot en met 3 en de Ad Informandum gevoegde feiten. Ten aanzien van feit 4 heeft de raadsman aangevoerd dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling te kunnen komen. Verdachte ontkent dit feit. De getuigenverklaringen in het dossier zijn alle de auditu-verklaringen en bevatten geen eigen waarnemingen. Verdachte dient van feit 4 op de tenlastelegging vrijgesproken te worden, aldus de raadsman.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte de aan hem onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan.
4.3.1 De vrijspraak ten aanzien van feit 4
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om tot een veroordeling van het onder 4 ten laste gelegde feit te kunnen komen. Naast de aangifte van [benadeelde 2] zitten er diverse getuigenverklaringen in het dossier. Al deze verklaringen zijn zogenoemde de auditu-verklaringen waarin conclusies en meningen staan maar geen eigen waarnemingen, ook niet van de bron zelf. Hieruit kan de rechtbank geen wettig bewijs putten. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van het aan hem onder 4 ten laste gelegde feit.
4.3.2 Het bewijs
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem onder 1 tot en met 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de opsomming van de volgende bewijsmiddelen:
Ten aanzien van feit 1:
- De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 22 april 2013.
- De aangifte van [benadeelde 1].
- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1].
Ten aanzien van feit 2:
- De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 22 april 2013.
- De aangifte van [benadeelde 3].
- De aangifte van [benadeelde 4].
- De aangifte van [benadeelde 5].
- De aangifte van [benadeelde 6] namens [bedrijf 1]
- De aanvullende verklaring van [benadeelde 6].
- De aangifte van [benadeelde 7] namens [bedrijf 2]
- De aangifte van [benadeelde 8] namens [bedrijf 3].
Ten aanzien van feit 3:
- De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting d.d. 22 april 2013.
- De aangifte van [benadeelde 9].
- De aangifte van [benadeelde 10].
- De aangifte van [benadeelde 11].
- De aangifte van [benadeelde 3].
- De aangifte van [benadeelde 12].
- De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1].
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4. genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
1.
op 9 januari 2011 te Wijk bij Duurstede, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening uit een personenauto Fiat Doblo heeft weggenomen een autoradio, toebehorende aan [benadeelde 1], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben/heeft verschaft door middel van braak, te weten door een ruit van voornoemde personenauto in te slaan;
2.
op tijdstippen op 9 januari 2011, te Wijk telkens tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen:
- uit een personenauto Renault Kangoo een autoradio merk Pioneer en lifehammer en oplader navigatiesysteem merk TomTom one en hoesje navigatiesysteem merk TomTom one, toebehorende aan [benadeelde 3] en
- uit een personenauto Opel Zafira een navigatiesysteem merk TomTom, toebehorende aan [benadeelde 4] en
- uit een bestelauto Renault een monitor achteruitrijcamera, toebehorende aan [benadeelde 5] en
- uit een bestelauto Nissan Primastar een radio/cd-speler en een navigatiesysteem merk TomTom en houder navigatiesysteem, toebehorende aan [bedrijf 1] en
- uit een personenauto Opel Astra een navigatiesysteem merk TomTom, toebehorende aan
[bedrijf 2] en
- uit een personenauto Fiat Seicento een radio merk JVC en kleding (spijkerbroek en sokken en onderbroek en twee polo's en werkkleding en shirt), toebehorende aan [benadeelde 8] en/of [bedrijf 3],
waarbij verdachte telkens zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en de weg te nemen goederen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, te weten door een ruit van voornoemde personenauto’s in te slaan;
3.
op tijdstippen in de periode van 5 november 2010 tot en met 16 januari 2011 te Wijk bij Duurstede, telkens met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening:
- tezamen en in vereniging met een ander, op 20 november 2010 heeft weggenomen een fiets merk/type Gazelle Montreux van [benadeelde 9] en
- tezamen en in vereniging met een ander, omstreeks 5 november 2010 heeft weggenomen een fiets merk/type Batavus O. Dutch van [benadeelde 10] en
- tezamen en in vereniging met een ander, op 16 januari 2011 heeft weggenomen een fiets
merk/type Gazelle Orange Lmtd van [benadeelde 11] en
- tezamen en in vereniging met een ander, op 14 november 2010 heeft weggenomen een fiets merk/type Gazelle Orange Lmd van [benadeelde 3] en
- tezamen en in vereniging met een ander, op 8 januari 2011 heeft weggenomen een fiets
merk/type Gazelle Montreux van [benadeelde 12].
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van de feiten
De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar als:
Feit 1: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.
Feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van raak, meermalen gepleegd.
Feit 3: Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen en maatregelen
8.1. De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten en rekening houdend met de ad inforrmandum gevoegde feiten zal worden veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, met een proeftijd van 2 jaren, alsmede een werkstraf van 240 uren, met bevel, voor het geval dat verdachte de werkstraf niet naar behoren (heeft) verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 120 dagen.
8.2. Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van feit 4.
Ten aanzien van de strafoplegging betreffende de feiten 1 tot en met 3, alsmede de ad informandum gevoegde feiten heeft de raadsman de rechtbank verzocht rekening te houden met –onder meer– het tijdsverloop en het Reclasseringsadvies d.d. 3 april 2013.
De raadsman heeft verzocht de door de officier van justitie geëiste werkstraf te matigen. Voorts heeft de raadsman verzocht deze werkstraf geheel voorwaardelijke, dan wel grotendeels voorwaardelijke op te leggen of te kiezen voor een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf.
8.3. Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte is samen met zijn medeverdachte op rooftocht geweest. Op één avond hebben zij ingebroken in een zevental auto’s en daaruit diverse goederen weggenomen. In de periode daarvoor heeft verdachte, eveneens grotendeels samen met zijn medeverdachte, een groot aantal fietsen gestolen. Dergelijke feiten brengen aanzienlijke schade met zich mee voor de benadeelde partijen. Verdachte heeft hier kennelijk niet bij stilgestaan, maar enkel gehandeld vanuit zijn eigen financiële gewin. Immers, verdachte was van plan de gestolen goederen door te verkopen. Daarbij heeft verdachte ter zitting verklaard dat de auto-inbraken op zijn initiatief hebben plaatsgevonden. Het was ook verdachte die stenen mee had genomen om daarmee vervolgens de autoruiten in te gooien. De rechtbank rekent dit verdachte zwaar aan.
De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte d.d. 13 maart 2013, waaruit volgt dat verdachte op 11 april 2012 door de politierechter van deze rechtbank is veroordeeld wegens overtreding van de Wegenverkeerswet 1994. Om die reden zal de rechtbank bij de strafoplegging rekening houden met hetgeen is bepaald in artikel 63 vanPro het Wetboek van Strafrecht. Uit het strafblad van verdachte volgt overigens dat verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Ook hiermee zal de rechtbank rekening houden bij het bepalen van de op te leggen straf.
Voorts stelt de rechtbank vast dat er ruim 2 jaar en drie maanden zijn verstreken sinds verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft gepleegd. Deze lange duur is erin gelegen dat het uiteindelijke aanbrengen van de zaak bij de rechtbank door de officier van justitie enige tijd heeft geduurd. De rechtbank zal hiermee in strafmatigende zin rekening houden.
De officier van justitie is bij het formuleren van haar eis uitgegaan van een bewezenverklaring van alle aan verdachte ten laste gelegde feiten. Nu de rechtbank niet tot een bewezenverklaring komt van het onder 4 ten laste gelegde feit, alsmede gelet op het tijdsverloop zal zij een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie is gevorderd. In dit kader hecht de rechtbank eraan op te merken dat wanneer de zaak eerder was aangebracht het opleggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf in de rede had gelegen. Hiertoe zal de rechtbank niet overgaan.
9. Het Ad Informandum gevoegde
De rechtbank heeft bij de strafbepaling rekening gehouden met de volgende door verdachte bekende ad informandum op de dagvaarding vermelde strafbare feiten:
- 24 januari 2011, Wijk bij Duurstede, fietsendiefstal;
- 17 december 2010, Wijk bij Duurstede, fietsendiefstal;
- 16 december 2011, Wijk bij Duurstede, fietsendiefstal;
- 11 december 2010 tot en met 12 december 2010, Wijk bij Duurstede, fietsendiefstal;
- 14 november 2010, Wijk bij Duurstede, fietsendiefstal.
10. Ten aanzien van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel
10.1 De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde 1] en [benadeelde 3] in zijn geheel toe te wijzen.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 5] heeft de officier van justitie gevorderd deze toe te wijzen met uitzondering voor de opgevoerde kosten wegens ‘Inkomstenderving’. Voor dat deel vordert de officier van justitie de vordering af te wijzen.
De officier van justitie heeft voorts gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen en de toe te wijzen vorderingen hoofdelijk toe te wijzen.
10.2 Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht de vordering van benadeelde partij [benadeelde 3] niet-ontvankelijk te verklaren, nu de vordering niet eenvoudig van aard is.
Met betrekking tot de vordering van benadeelde partij [benadeelde 5] heeft de raadsman verzocht de opgevoerde kostenposten ‘Inkomstenderving’ en ‘Installeren camera’ af te wijzen. Voor het overige is de vordering van benadeelde partij [benadeelde 5] voor toewijzing vatbaar, aldus de raadsman.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] heeft de raadsman geen verweer gevoerd.
10.3 Het oordeel van de rechtbank
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 1]
De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.
De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 1,00, ter zake immateriële schade. De hoogte van het gevorderde bedrag is door de benadeelde partij als symbolische bepaald op € 1,00.
De behandeling van de vordering van [benadeelde 1], levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 1,00 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering volledig toewijzen.
Nu verdachte het feit tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd, zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen.
Met betrekking tot de toegekende vordering van benadeelde partij [benadeelde 1] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 5]
De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.
De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 707,01, ter zake materiële schade.
De behandeling van de vordering van [benadeelde 5], levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 227,01 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde, betreffende ‘reparatie portierruit’, ‘vervanging achteruitrijcamera’ en ‘installeren camera’ is voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering voor die posten dan ook volledig toewijzen inclusief de wettelijke rente over de gevorderde bedragen.
Van het gevorderde schadebedrag van € 480,00 bestaande uit ‘inkomstenderving’ is niet gebleken dat de schade door dit feit is toegebracht. De benadeelde partij zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor dat deel van haar vordering. Zij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Nu verdachte het feit tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd, zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen.
Met betrekking tot de toegekende vordering van benadeelde partij [benadeelde 5] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde 3]
De benadeelde partij heeft overeenkomstig artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering opgave gedaan van de inhoud van de vordering.
De vordering strekt tot vergoeding van geleden schade ten gevolge van het onder 2 ten laste gelegde feit, te weten een totaalbedrag van € 134,20, ter zake materiële schade.
De behandeling van de vordering van [benadeelde 3], levert geen onevenredige belasting van het strafgeding op. De rechtbank is van oordeel dat het gevorderde schadebedrag van € 134,20 een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering volledig toewijzen inclusief de wettelijke rente over de gevorderde bedragen.
Nu verdachte het feit tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gepleegd, zal de rechtbank de vordering hoofdelijk toewijzen.
Met betrekking tot de toegekende vordering van benadeelde partij [benadeelde 3] zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 24c, 36f, 47, 57,63, en 311 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
12. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
Verklaart het onder 4 ten laste gelegde niet bewezen en spreekt verdachte daarvan vrij.
Bewezenverklaring
Verklaart bewezen dat verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 5 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Strafbaarheid
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak, meermalen gepleegd.
Feit 2: Diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd.
Feit 3: Diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, daarvoor strafbaar.
Strafoplegging
Veroordeelt verdachte tot een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, van 120 (honderdtwintig) uren, met bevel, voor het geval dat de verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 (zestig) dagen, met bevel dat de tijd die door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van deze straf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 (twee) uren per dag.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 (drie) maanden.
Beveelt dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij later anders wordt gelast.
Stelt daarbij een proeftijd van 2 (twee) jaren vast.
De tenuitvoerlegging kan worden gelast indien veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt.
Benadeelde partijen
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 1] van € 1,00, ter zake van immateriële schade;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 5] van € 227,01 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 5] niet-ontvankelijk voor het overige deel van haar vordering;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde 3] € 134,20 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 14 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;
- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de hierna te noemen slachtoffers de daarbij vermelde bedragen te betalen, bij niet betaling te vervangen door het daarbij vermelde aantal dagen hechtenis:
- benadeelde partij [benadeelde 1], € 1,00, 1 dag hechtenis,