ECLI:NL:RBMNE:2013:CA3506
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Verplichte pensioenpremies bij overgang van onderneming en vorderingsrecht bedrijfspensioenfonds
In deze zaak staat centraal of de verplichting tot betaling van pensioenpremies op grond van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfspensioenfonds 2000 (wet Bpf 2000) bij overgang van onderneming overgaat van de vervreemder op de verkrijger, inclusief onbetaald gebleven premies.
GOM had van VBG een deel van de onderneming overgenomen en betwistte haar verplichting om onbetaalde pensioenpremies van vóór de overgang te voldoen aan het Bedrijfstakpensioenfonds (BPF). GOM voerde aan dat het verplichte bedrijfspensioen geen onderdeel is van de arbeidsovereenkomst en dat BPF geen eigen vorderingsrecht kan ontlenen aan de Wet overgang onderneming (WOO).
De rechtbank oordeelde dat het verplichte bedrijfspensioen als arbeidsvoorwaarde geldt en dat rechten en verplichtingen voortvloeiend uit de arbeidsovereenkomst, waaronder de premiebetalingsverplichting, bij overgang van onderneming overgaan. Ook de onbetaald gebleven premies behoren hiertoe. Daarnaast heeft het bedrijfspensioenfonds een eigen vorderingsrecht op grond van de WOO, zodat het niet noodzakelijk is dat elke individuele werknemer zijn vordering instelt.
De rechtbank wees de vordering van GOM af en stelde dat BPF gerechtigd is de onbetaalde premies te vorderen van GOM. Vanwege de complexiteit van de hoogte van de vordering en de noodzaak van nader onderzoek werd een comparitie gelast en werd tussentijds hoger beroep toegestaan.
Uitkomst: GOM is gehouden tot betaling van onbetaald gebleven pensioenpremies aan het bedrijfspensioenfonds voor werknemers die bij overgang van onderneming naar GOM zijn overgegaan.