AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vrijspraak babbeltrucs op bejaarden, werkstraf voor bezit XTC-pillen
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 19 juni 2013 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van meerdere babbeltrucs op bejaarden en het bezit van XTC-pillen. De babbeltrucs betroffen pogingen tot oplichting en diefstal in verschillende plaatsen, waaronder Velp, Arnhem, Ede, Utrecht, Zeist en Tilburg.
De rechtbank sprak verdachte vrij van alle babbeltrucs en diefstallen wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs. Zo kon niet worden vastgesteld dat verdachte actief betrokken was bij de strafbare feiten die door een medeverdachte waren gepleegd. Ook de fotobewijsconfrontatie en WhatsApp-berichten leverden onvoldoende bewijs op. De rechtbank oordeelde dat verdachte niet aannemelijk kon worden geacht op de locaties van de babbeltrucs aanwezig te zijn geweest.
Wel achtte de rechtbank bewezen dat verdachte op 11 december 2012 in zijn woning in Apeldoorn 14 XTC-pillen (MDMA) opzettelijk aanwezig had. De pillen werden aangetroffen op toegankelijke plaatsen in de woning. Verdachte ontkende hiervan op de hoogte te zijn, maar dit werd niet geloofd.
Gezien de ernst van het feit en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder het ontbreken van eerdere veroordelingen, legde de rechtbank een werkstraf van 40 uren op. Daarnaast werd het in beslag genomen geldbedrag van €3.350,- aan verdachte teruggegeven, omdat niet was vastgesteld dat dit afkomstig was van misdrijf. De vorderingen van benadeelden werden niet toegewezen en zij werden verwezen naar de burgerlijke rechter.
Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van babbeltrucs, veroordeeld tot 40 uur werkstraf voor bezit van XTC-pillen.
vonnis van de meervoudige strafkamer van 19 juni 2013
in de strafzaak tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [1966],
wonende te [adres], [woonplaats].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 5 juni 2013. Op de terechtzitting zijn overeenkomstig artikel 285 vanPro het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie en van wat verdachte en de advocaat, mr. S. Schuurman, naar voren hebben gebracht.
2. Tenlastelegging
De tenlastelegging is op de zitting gewijzigd overeenkomstig artikel 313 vanPro het Wetboek van Strafvordering. De (gewijzigde) tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:
(16/701859-12)
Feit 1:
- op 11 december 2012 in Velp samen met een ander [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2] heeft bewogen tot de afgifte van sieraden;
- op 11 december 2012 in Arnhem samen met een ander [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4] heeft bewogen tot de afgifte van geld;
en/of
- op 11 december 2012 in Velp samen met een ander sieraden, toebehorende aan [benadeelde 1] en/of [benadeelde 2], heeft weggenomen;
- op 11 december 2012 in Arnhem samen met een ander geld, toebehorende aan [benadeelde 3] en/of [benadeelde 4], heeft weggenomen;
Feit 2
- op 23 november 2012 in Ede samen met een ander [benadeelde 5] heeft geprobeerd te bewegen tot de afgifte van geld en/of sieraden;
- op 23 november 2012 in Utrecht samen met een ander [benadeelde 6] heeft geprobeerd te bewegen tot de afgifte van geld en/of sieraden;
- op 23 november 2012 in Zeist samen met een ander [benadeelde 7] heeft geprobeerd te bewegen tot de afgifte van geld en/of sieraden;
- op 5 december 2012 in Tilburg samen met een ander [benadeelde 8] heeft geprobeerd te bewegen tot de afgifte van geld en/of sieraden;
- op 5 december 2012 in Tilburg samen met een ander [benadeelde 9] heeft geprobeerd te bewegen tot de afgifte van geld en/of sieraden;
en/of
- op 23 november 2012 in Ede samen met een ander heeft geprobeerd geld en/of sieraden van die [benadeelde 5] weg te nemen;
- op 23 november 2012 in Utrecht samen met een ander heeft geprobeerd geld en/of sieraden van die [benadeelde 6] weg te nemen;
- op 23 november 2012 in Zeist samen met een ander heeft geprobeerd geld en/of sieraden van die [benadeelde 7] weg te nemen;
- op 5 december 2012 in Tilburg samen met een ander heeft geprobeerd geld en/of sieraden van die [benadeelde 8] weg te nemen;
- op 5 december 2012 in Tilburg samen met een ander heeft geprobeerd geld en/of sieraden van die [benadeelde 9] weg te nemen;
(16/661452-13)
op 11 december 2012 in Apeldoorn, samen met een ander of anderen, 14 pillen XTC/MDMA aanwezig heeft gehad.
3. Voorvragen
Partiële nietigheid
De rechtbank constateert dat feit 2 op de tenlastelegging met parketnummer 16/701859-12 is ten laste gelegd als poging tot oplichting en impliciet cumulatief en subsidiair als poging tot diefstal. In de beschrijving van de poging tot diefstal zijn echter bestanddelen gebruikt die betrekking hebben op het strafbare feit oplichting. Naar het oordeel van de rechtbank wordt de tenlastelegging daarmee innerlijk tegenstrijdig en is de dagvaarding derhalve nietig wat betreft dit (subsidiaire) deel van feit 2.
De dagvaarding is voor het overige geldig, deze rechtbank is bevoegd tot kennisneming van de ten laste gelegde feiten en de officier van justitie is ontvankelijk. Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.
4. Waardering van het bewijs
4.1 Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft verzocht verdachte partieel vrij te spreken van feit 2 (16/701859-12) voor zover het betreft de feiten die gepleegd zijn op 23 november 2012 te Ede, Utrecht en Zeist. De officier van justitie acht de overige aan verdachte ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend bewezen.
4.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat verdachte van alle aan hem ten laste gelegde feiten dient te worden vrijgesproken. Met betrekking tot de feiten op 11 december 2012 te Arnhem en Velp heeft de verdediging aangevoerd dat niet kan worden vastgesteld dat verdachte op de hoogte was van de plannen van medeverdachte [medeverdachte 1]. Veel minder blijkt uit het dossier dat verdachte actief betrokken was bij deze feiten. Daarnaast heeft de verdediging opgemerkt dat niet aan het dubbele opzetvereiste is voldaan.
Ten aanzien van de feiten op 23 november 2012 heeft de raadsman betoogd dat uit de door hem overgelegde verklaringen en telecommunicatiegegevens duidelijk blijkt dat verdachte de feiten op 23 november 2012 niet kan hebben gepleegd.
Met betrekking tot de feiten op 5 december 2012 heeft de raadsman opgemerkt dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat verdachte op genoemde datum in Tilburg is geweest en dus betrokken is geweest bij de ten laste gelegde babbeltrucs.
De verdediging heeft ten slotte aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat verdachte zich bewust is geweest van de 14 XTC-pillen die in zijn woning zijn aangetroffen, zodat ook dit feit niet kan worden bewezen.
4.3 Het oordeel van de rechtbank
Vrijspraak ten aanzien van feit 1 en 2 (16/701859-12)
Ten aanzien van feit 1
Verdachte heeft ter terechtzitting van 5 juni 2013 verklaard dat hij op 11 december 2012 bij medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna te noemen: [medeverdachte 1]) in de auto zat. Uit het dossier blijkt voorts dat verdachte die dag samen met [medeverdachte 1] naar de Kijkshop is geweest, waar een mobiele telefoon is gekocht. Tevens is verdachte door het observatieteam gezien in de auto van [medeverdachte 1] in de nabijheid van de woningen van de aangevers aan de [adres] in[woonplaats] en de [adres] in [woonplaats].
De rechtbank heeft echter niet kunnen vaststellen dat verdachte de strafbare feiten op 11 december 2012 tezamen en in vereniging met [medeverdachte 1] heeft gepleegd. Uit het dossier blijkt dat een verbalisant de stem van [medeverdachte 1] herkent in een telefoongesprek met de nummer¬informatie¬lijn 1888 waarin [medeverdachte 1] het telefoonnummer van de [adres] in [woonplaats] opvraagt. Ook overigens geeft het dossier geen aanwijzingen dat verdachte actief betrokken is geweest bij voornoemde feiten.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet duidelijk is of verdachte op de hoogte was van de strafbare feiten die door [medeverdachte 1] zijn gepleegd. Niet kan worden vastgesteld dat sprake was van actieve betrokkenheid van verdachte en een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1]. De rechtbank zal verdachte dan ook van het onder 1 ten laste gelegde feit vrijspreken wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Ten aanzien van feit 2
Ten aanzien van de feiten die zijn gepleegd op 23 november 2012 in Ede, Utrecht en Zeist is de rechtbank, evenals de officier van justitie, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte deze feiten heeft begaan. De rechtbank zal verdachte daarom van deze feiten vrijspreken.
Met betrekking tot de feiten die zijn gepleegd op 5 december 2012 in Tilburg constateert de rechtbank dat de mogelijke betrokkenheid van verdachte met name zou blijken uit de fotobewijsconfrontatie, waarin aangeefster [benadeelde 8] aangeeft dat verdachte lijkt op de persoon die in haar woning is geweest.
Door de raadsman van verdachte is een WhatsApp-gesprek overgelegd waaruit blijkt dat verdachte op 5 december 2012 te 12.41 uur een foto heeft gestuurd naar zijn dochter. Op de foto is te zien dat verdachte in bed ligt.
De rechtbank constateert dat uit de aangifte van [benadeelde 9] blijkt dat de oplichting is gepleegd rond 10.30 uur. Voorts stelt de rechtbank middels de website GoogleMaps vast dat de route vanaf het adres van aangeefster [benadeelde 9] tot de woning van verdachte in 1 uur en 27 minuten kan worden afgelegd. Hoewel het in theorie mogelijk is om na de oplichting van [benadeelde 9] terug te rijden naar Apeldoorn en vervolgens om 12.41 uur die bewuste foto te maken, acht de rechtbank dit niet aannemelijk. Omdat de oplichtingen van [benadeelde 9] en [benadeelde 8] kort na elkaar zijn gepleegd en beide oplichtingen dezelfde specifieke modus operandi hebben, acht de rechtbank het aannemelijk dat de feiten door dezelfde dader(s) zijn gepleegd en acht de rechtbank dus evenmin bewezen dat verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde feit bij aangever [benadeelde 8] heeft begaan. De rechtbank overweegt overigens dat de mogelijke betrokkenheid van verdachte bij beide feiten enkel blijkt uit de fotobewijsconfrontatie met [benadeelde 8]. Naar het oordeel van de rechtbank is dat onvoldoende. De rechtbank acht daarom niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de op 5 december 2012 gepleegde feiten heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij.
Bewijs ten aanzien van parketnummer 16/661452-13
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder parketnummer 16/661452-13 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.
Op 11 december 2012 heeft een doorzoeking plaatsgevonden in de woning aan de [adres] te [woonplaats]. Tijdens deze doorzoeking is in een nachtkastje in een slaapkamer van de woning een zakje met vermoedelijk XTC-pillen aangetroffen. De pillen zijn in beslag genomen. Verder zijn in de lade van de salontafel in de woonkamer 10 witte vermoedelijk XTC-pillen aangetroffen. Deze pillen zijn eveneens in beslag genomen.
Op 16 januari 2013 is onderzoek ingesteld naar de verdovende middelen die in beslag zijn genomen op het adres [adres] in [woonplaats]. De aangeboden partij bestond uit 10 stuks witte tabletten en 4 stuks roze tabletten. Representatieve monsters werden indicatief getest. De tests gaven een positieve reactie op MDMA, zijnde een stof die is vermeld op Lijst I van de Opiumwet. De monsters zijn gewaarmerkt onder de nummers AAFD6294NL en AAFD6295NL.
Uit het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut blijkt dat de tien tabletten (AAFD6294NL) en de vier tabletten (AAFD6295NL) MDMA bevatten.
Bewijsoverweging ten aanzien van parketnummer 16/661452-13
Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niet op de hoogte was van de aanwezigheid van de XTC-pillen in zijn woning. De rechtbank acht dit niet aannemelijk. De pillen zijn aangetroffen in de woning van verdachte. Vier pillen zijn aangetroffen in een nachtkastje in de ouderslaapkamer van de woning en tien pillen zijn in de salontafel van de woonkamer aangetroffen. De rechtbank overweegt dat dit toegankelijke plaatsen zijn en dat verdachte zich derhalve bewust moest zijn van de aanwezigheid van de XTC-pillen in de woning.
5. Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in rubriek 4 genoemde bewijsmiddelen bewezen dat verdachte
(16/661452-13)
op 11 december 2012 te Apeldoorn opzettelijk aanwezig heeft gehad 14 pillen XTC/MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten staan, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
6. De strafbaarheid van het feit
Het bewezen geachte feit is volgens de wet strafbaar als
(16/661452-13)
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod.
Het bestaan van een rechtvaardigingsgrond is niet aannemelijk geworden.
7. De strafbaarheid van verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dan ook strafbaar.
8. Motivering van de straffen en maatregelen
8.1 De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door haar bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.
8.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ten aanzien van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit en heeft overigens geen strafmaatverweer gevoerd.
8.3 Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Wat betreft de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, heeft de rechtbank in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Verdachte heeft opzettelijk XTC-pillen aanwezig gehad. Dit is naar het oordeel van de rechtbank een ernstig strafbaar feit, want het is algemeen bekend dat verdovende middelen ernstige schade toebrengen aan de volksgezondheid.
De rechtbank heeft met betrekking tot de persoon van de verdachte gelet op het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 28 januari 2013, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Tevens heeft de rechtbank acht geslagen op het reclasseringsrapport d.d. 6 februari 2013.
De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het feit dat zij verdachte vrijspreekt van alle ten laste gelegde (pogingen tot) oplichtingen en diefstallen, aanleiding bestaat bij de straftoemeting substantieel af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
De rechtbank is van oordeel dat gezien alle voornoemde omstandigheden een werkstraf voor de duur van 40 uren passend is.
9. Het beslag
9.1 De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat het geldbedrag dat onder verdachte in beslag is genomen, te weten € 3.350,-, verbeurd dient te worden verklaard. Ten aanzien van de in beslag genomen vermomming heeft de officier van justitie verzocht deze terug te geven aan verdachte.
9.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit het onder verdachte in beslag genomen geldbedrag van € 3.350 en de vermomming aan verdachte terug te geven.
9.3 Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde oplichtingen en diefstallen. Ook overigens is niet komen vast te staan dat het geldbedrag van € 3.350,- dat onder verdachte in beslag is genomen onmiddellijk of middellijk van misdrijf afkomstig is. Derhalve zal de rechtbank de teruggave aan verdachte gelasten van voornoemd geldbedrag.
Ten aanzien van de onder verdachte in beslag genomen vermomming overweegt de rechtbank dat zij hiervan geen kennisgeving van inbeslagname heeft en dit goed niet vermeld staat op de beslaglijst. Gelet hierop zal de rechtbank over dit goed geen beslissing nemen.
10. Ten aanzien van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
10.1 De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van benadeelde partij [benadeelde 4] geheel toe te wijzen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
10.2 Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft voor alle aan verdachte ten laste gelegde feiten vrijspraak bepleit en heeft overigens geen verweer gevoerd ten aanzien van de vordering benadeelde partij.
10.3 Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij [benadeelde 4] vordert een schadevergoeding van € 1.575,- voor feit 1 (16/701859-12).
Nu aan verdachte ter zake het onder 1 ten laste gelegde feit (16/701859-12) - zonder toepassing van artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht - geen straf of maatregel is opgelegd, is de benadeelde partij [benadeelde] in de vordering niet-ontvankelijk. De benadeelde partij kan haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
11. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d en 27 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 10 vanPro de Opiumwet zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde en op de reeds aangehaalde artikelen.
12. Beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt verdachte vrij van de onder 1 en 2 (16/701589-12) ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
(16/661438-13)
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 40 uren;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde taakstraf;
Beslag
- gelast de teruggave aan verdachte van het geldbedrag van € 3.350,- (goednummer PL0900-2012249133-G784647);
Benadeelde partij
- verklaart de benadeelde partij [benadeelde 4] niet-ontvankelijk in haar vordering;
- bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
Voorlopige hechtenis
- heft op het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.W. Helmonds, voorzitter, mrs. N.H.J.M. Veldman-Gielen en V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C. van Reenen, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 19 juni 2013.
Mr. N.H.J.M. Veldman-Gielen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE : De tenlastelegging
Aan bovenbedoelde gedagvaarde persoon wordt ten laste gelegd dat
Parketnummer 16/701859-12
1.
hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 24 mei 2012
tot en met 11 december 2012 te Velp, gemeente Rheden, en/of Arnhem, althans in
Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens)
met het oogmerk om zich en/of (een) ander (en) wederrechtelijk te bevoordelen
(telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse
hoedanigheid en/of door een (of meer) listige kunstgre(e)p(en) en/of door een
samenweefsel van verdichtsels, onder meer :
(op of omstreeks 11 december 2012 te Velp, gemeente Rheden)
[benadeelde 1] (geboren in 1921) en/of [benadeelde 2] (geboren in 1920)
heeft/hebben bewogen tot de afgifte van één of meer sierad(a)d(en), waar onder
een armband en/of drie, in elk geval één of meer, broche(s) en/of een ring
(met bloedkoraal) en/of één of meer halsketting(en), in elk geval van enig
goed, hebbende en/of zijnde verdachte en/of zijn mededader(s) toen aldaar met