De rechtbank Midden-Nederland heeft op 28 maart 2014 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van poging en voltooid opzettelijk brandstichten aan een personenauto met gemeen gevaar voor goederen. De zaak betrof brandstichtingen gepleegd in augustus 2012 te Veenendaal.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de voltooide brandstichting bij het eerste feit, omdat deze niet wettig en overtuigend bewezen kon worden. Wel werd bewezen verklaard dat verdachte heeft geprobeerd brand te stichten aan een auto door het aansteken van een doek en droog gras met olie, en dat hij op 18 augustus 2012 daadwerkelijk brand heeft gesticht door benzine over de auto te gooien en een brandende prop papier naar de auto te werpen, waarbij ook een naastgelegen schuur beschadigd raakte.
Verdachte werd psychologisch onderzocht en bleek verminderd toerekeningsvatbaar door een persoonlijkheidsstoornis, verlatingsdepressie en alcoholafhankelijkheid. De rechtbank volgde het advies van de psycholoog en hield rekening met deze omstandigheden bij de strafoplegging.
De rechtbank legde een taakstraf van 200 uren op, waarvan 100 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, inclusief reclasseringstoezicht, gedragsinterventie en behandelverplichting. De straf werd verminderd met voorarrest. De rechtbank achtte de straf passend gezien de ernst van de feiten en de persoon van verdachte.