De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 28 maart 2014 een ontnemingszaak tegen de veroordeelde, die eerder was veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met het verbod uit artikel 3, onder C, van de Opiumwet. De officier van justitie vorderde betaling van het wederrechtelijk verkregen voordeel, berekend via een kasopstelling over de periode 1 maart 2011 tot en met 22 februari 2012.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder vermindering van de vordering op basis van de werkelijke hoeveelheid natte hennep, vermeende legale herkomst van contante stortingen en uitgaven, en waardevermindering van inbeslaggenomen goederen. De rechtbank verwierp deze verweren grotendeels, oordeelde dat de hennep aan veroordeelde toebehoorde en dat de contante stortingen en uitgaven niet aannemelijk uit legale bronnen afkomstig waren.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €149.706,92 en wees het draagkrachtverweer af, aangezien niet aannemelijk was dat veroordeelde niet in staat zou zijn om aan de betalingsverplichting te voldoen. De ontnemingsvordering werd opgelegd aan veroordeelde.