ECLI:NL:RBMNE:2014:1330

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 februari 2014
Publicatiedatum
4 april 2014
Zaaknummer
16-110337-02 TBS
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet BOPZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging terbeschikkingstelling na voorwaardelijke machtiging onder BOPZ

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 7 februari 2014 de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de terbeschikkingstelling van de terbeschikkinggestelde, die sinds 29 november 2003 loopt. De terbeschikkingstelling was eerder verlengd, maar de dwangverpleging werd op 31 augustus 2010 beëindigd onder voorwaarden.

Tijdens de zitting werden de officier van justitie, de terbeschikkinggestelde met zijn advocaat en een reclasseringswerker gehoord. De reclassering en de psychiater stelden dat voortzetting van de terbeschikkingstelling niet noodzakelijk is, omdat een voorwaardelijke machtiging onder de Wet BOPZ voldoende waarborgen biedt voor behandeling en beperking van recidiverisico.

De rechtbank overwoog dat het dwangkader noodzakelijk blijft, maar dat dit niet per se via terbeschikkingstelling hoeft te verlopen; een voorlopige machtiging onder de BOPZ is voldoende. Gezien de afgegeven voorlopige machtiging op 5 februari 2014 en het behandeltraject achtte de rechtbank verlenging van de terbeschikkingstelling niet nodig en wees de vordering af.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling af en beëindigt de maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht
Zittingslocatie Utrecht
Parketnummer: 16/110337-02 TBS
Beslissing op de vordering tot verlenging terbeschikkingstelling
In de zaak van de officier van justitie tegen
[naam],
geboren te [geboorteplaats], op [1980],
wonende te [woonplaats], [adres],
advocaat mr. L.M. Oldenburg te Amsterdam,
heeft de officier van justitie de verlenging van de terbeschikkingstelling gevorderd. Op deze vordering heeft de rechtbank de volgende beslissing gegeven.

1.De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken waaronder:
- het arrest van het gerechtshof te Arnhem d.d. 14 november 2003, waarbij [naam] is veroordeeld tot 12 maanden gevangenisstraf en ter beschikking is gesteld met dwangverpleging;
- stukken waaruit blijkt dat de terbeschikkingstelling is ingegaan op 29 november 2003 en de dwangverpleging op 31 augustus 2010 is beëindigd onder voorwaarden;
- de beslissing van deze rechtbank d.d. 17 december 2012, waarbij de termijn van terbeschikkingstelling voor het laatst is verlengd voor de duur van één jaar en tevens de voorwaarden zijn gewijzigd;
- de vordering van de officier van justitie d.d. 28 oktober 2013, die strekt tot verlenging van de terbeschikkingstelling van [naam] met één jaar;
- een voortgangsverslag en verlengingsadvies TBS van het Leger des Heils, d.d. 21 oktober 2013 en de aanvulling hierop d.d. 5 februari 2014, opgemaakt door J. Wassink, reclasseringswerker en mede ondertekend door K. van Scherpenzeel, voorzitter en I. Claassen, unitmanager, waarin een maatregel binnen de BOPZ wetgeving als vervolg op een onvoorwaardelijk beëindiging van de terbeschikkingstelling wordt geadviseerd;
- een Pro justitia rapport d.d. 23 oktober 2013, opgemaakt door C.J. van Gestel, psychiater;

2.De procesgang

Tijdens het onderzoek ter zitting van 7 februari 2014 is de officier van justitie gehoord.
Tevens is de terbeschikkinggestelde gehoord, bijgestaan door zijn advocaat.
Voorts is de deskundige J. Wassink, reclasseringswerker werkzaam bij Leger des Heils reclassering Utrecht, gehoord.

3.Het standpunt van de reclassering

Het standpunt van de reclassering blijkt uit de onder 1 genoemde voortgangsverslagen. De deskundige J. Wassink heeft het rapport en het advies van de inrichting toegelicht. Het standpunt luidt - zakelijk weergegeven - als volgt.
De afgelopen periode heeft in het teken gestaan van de voorbereiding op het toewerken naar een voorwaardelijke/vrijwillige rechterlijke machtiging in het kader van de BOPZ. Wanneer er voldoende (dwingend) kader is, zal [naam] waarschijnlijk grotendeels in staat zijn zich aan de afspraken te houden en niet af te glijden. Zonder enig kader zal het gebrek aan ziekte-inzicht er waarschijnlijk toe leiden dat [naam] zijn behandeling stopt, meer gaat drinken, stopt met zijn medicatie en toenemend psychotisch wordt. Hoe langer die situatie bestaat, hoe groter de kans op agressie wordt. Agressief gedrag zal waarschijnlijk gericht zijn op mensen die dichtblij [naam] staan, aangezien dit in het verleden ook het geval is geweest. Met een voorwaardelijke rechterlijke machtiging wordt het risico op gewelddadig gedrag zowel op korte als lange termijn als laag geschat. Wanneer geen sprake is van een dwingend kader is het risico op korte termijn matig en op lange termijn hoog.
[naam] heeft in de afgelopen periode gesprekken gehad met zijn (toekomstige) behandelaars inzake de overdracht naar GGZ-Centraal. Deze gesprekken zijn naar tevredenheid verlopen en [naam] zal ook door het F-ACT team van GGZ-Centraal in behandeling genomen worden. De verwachting wordt uitgesproken dat [naam] in de toekomst door kan naar de reguliere (ambulante) afdeling van GGZ-Centraal. [naam] is op 3 februari 2014 beoordeeld door een onafhankelijk psychiater. Op 5 februari 2014 heeft er een schriftelijke afdoening plaatsgevonden en heeft de rechtbank Midden-Nederland een voorwaardelijke machtiging verleend. [naam] dient zich hierbij te houden aan de voorwaarden in het behandelplan, zoals opgesteld op 29 januari 2014 door GGZ-Centraal. De reclassering is van mening dat hiermee de kans op recidive beperkt blijft en er een goed vangnet is gecreëerd indien er sprake zou zijn van terugval. De reclassering adviseert de rechtbank de maatregel terbeschikkingstelling te beëindigen.

4.Het standpunt van de psychiater

Het standpunt van de psychiater blijkt uit het onder 1 genoemde adviesrapport.
De psychiater C.J. van Gestel acht verdere verlenging van de onderhavige maatregel onnodig, daar er een goed alternatief is, te weten voortzetting van beschermd wonen, voortzetting van medicatiegebruik en de start van een F-ACT-behandeling in het kader van een BOPZ-maatregel.

5.Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert afwijzing van zijn vordering nu uit de rapporten en beschikking voorwaardelijke machtiging is gebleken dat de behandeling van [naam] in het kader van een voorwaardelijke machtiging is gerealiseerd en deze voldoende waarborg biedt om het recidiverisico te verkleinen.

6.Het standpunt van de verdediging

De verdediging voert aan dat de verlenging van de terbeschikkingstelling geen toegevoegde waarde meer heeft. Het behandelplan is opgesteld door de behandelaar van GGZ-Centraal. [naam] zal zich onder behandeling stellen van de behandelaar en is bereid tot naleving van de voorwaarden. De voorwaardelijke machtiging is voldoende waarborg bij een eventuele terugval. De verdediging verzoekt de rechtbank tot afwijzing van de vordering verlenging terbeschikkingstelling.

7.De beoordeling

De rechtbank overweegt dat, op grond van voormelde rapporten en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht, een dwangkader nog steeds noodzakelijk is om de noodzakelijke zorg en behandeling aan [naam] te kunnen verlenen. De deskundige J. Wassink heeft in zijn advies en ter zitting uitdrukkelijk medegedeeld dat een dergelijk kader niet per se hoeft te bestaan uit de maatregel terbeschikkingstelling, maar dat een voorlopige machtiging conform de wet BOPZ daartoe ook voldoende garantie biedt. De rechtbank heeft in dit kader gelet op de op 5 februari 2014 door deze rechtbank afgegeven voorlopige rechterlijke machtiging.
Nu, voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid, het bovenstaande behandeltraject voldoende waarborgen biedt is het niet meer noodzakelijk de terbeschikkingstelling te verlengen.
De rechtbank zal dus de vordering van de officier van justitie tot verlenging van de maatregel terbeschikkingstelling afwijzen.

8.De beslissing

De rechtbank wijst de vordering af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. L.M.G. de Weerd, voorzitter, M.A.E. Somsen en M.P. Glerum, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier drs. E.M.S. Arduin en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 februari 2014.