De rechtbank Midden-Nederland behandelde de zaak tegen verdachte wegens afpersing, wapenbezit en mishandeling. Verdachte werd primair beschuldigd van afpersing van het slachtoffer en getuige door middel van geweld en bedreiging, en subsidiair van mishandeling op 8 mei 2013. Daarnaast werd hem het bezit van vuurwapens en munitie ten laste gelegd.
De rechtbank oordeelde dat het bewijs voor afpersing onvoldoende was; verklaringen van het slachtoffer en getuige waren weliswaar gedetailleerd, maar er ontbrak direct bewijs van geweld of bedreiging. Ook voor het wapenbezit kon niet worden vastgesteld dat verdachte bewust en nauw samenwerkte met anderen, noch dat hij wetenschap had van het wapen in de auto waarin hij als passagier zat.
Wel achtte de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer op 8 mei 2013 meermalen mishandelde, wat ook werd bevestigd door medisch vastgestelde letsels. Gelet op de ernst van het feit en het strafrechtelijk verleden van verdachte legde de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken op.
Verder werden vorderingen van benadeelde partijen afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid, omdat deze voortvloeiden uit de vrijgesproken afpersingsfeiten. De rechtbank besloot ook tot tenuitvoerlegging van eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen wegens overtreding van proeftijdvoorwaarden.
Het vonnis werd gewezen door de meervoudige kamer op 3 april 2014 en bevatte een gedetailleerde weergave van de feiten, bewijswaardering en juridische overwegingen.