Uitspraak
d.d. 6 februari 2014voor strafzaken
op tegenspraakgewezen in de strafzaak tegen:
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
subsidiair:
Rechtbank Midden-Nederland
Op 4 februari 2012 vond een geweldsincident plaats in de Willemstraat te Utrecht waarbij twee slachtoffers betrokken waren. Verdachte werd primair beschuldigd van poging tot doodslag en zware mishandeling en subsidiair van openlijk geweldplegen in vereniging.
Tijdens de terechtzitting op 23 januari 2014 hebben zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten toegelicht. De officier van justitie erkende dat er ernstige bezwaren zijn die wijzen op betrokkenheid van verdachte, maar stelde dat het bewijs onvoldoende is om wettig en overtuigend vast te stellen dat verdachte daadwerkelijk een aandeel had in het gepleegde geweld. De verdediging betoogde eveneens dat het dossier geen direct bewijs bevat dat verdachte een van de daders was.
De rechtbank concludeerde dat hoewel er sterke aanwijzingen zijn, zoals het gebruik van een auto op naam van de moeder van verdachte die betrokken was bij het incident, het aantreffen van de telefoon van verdachte op de plaats delict en zijn vluchtgedrag bij aanhouding, deze aanwijzingen onvoldoende zijn om wettig bewijs te vormen voor de ten laste gelegde feiten. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van poging tot doodslag, zware mishandeling en openlijk geweldplegen.
De benadeelde partijen vorderden schadevergoeding, maar werden niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. Tevens wees de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf af, omdat niet was gebleken dat verdachte zich tijdens de proeftijd aan een strafbaar feit had schuldig gemaakt.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig bewijs ondanks sterke aanwijzingen voor betrokkenheid.