Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
op tegenspraakgewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 28 februari 2014 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen een veroordeelde die eerder is veroordeeld voor gewoontewitwassen. De officier van justitie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €130.590,24, gebaseerd op een kasopstelling en onderzoek door de Koninklijke Marechaussee.
De verdediging voerde meerdere verweren aan, waaronder niet-ontvankelijkheid wegens te late betekening van de oproep, onvoldoende voorbereidingstijd en het ontbreken van bewijs dat het vermogen uit misdrijf afkomstig was. De rechtbank verwierp deze verweren, mede omdat de behandeling van de vordering was aangehouden waardoor voldoende voorbereiding mogelijk was en er een veroordeling voor witwassen lag.
De rechtbank stelde vast dat de veroordeelde contant geld had besteed zonder legale herkomst, onder andere aan voertuigen en andere uitgaven, en dat dit wederrechtelijk verkregen voordeel betreft. Gezien de persoonlijke omstandigheden en draagkracht van de veroordeelde achtte de rechtbank geen reden om het bedrag te matigen.
De rechtbank legde de verplichting op aan de veroordeelde om het volledige bedrag van €130.590,24 aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: De veroordeelde is verplicht tot betaling van €130.590,24 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.