Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingslocatie Utrecht
op tegenspraakgewezen in de zaak tegen:
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 28 mei 2014 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van verkrachting en ontucht gepleegd op een aan zijn zorg toevertrouwde minderjarige in de periode van november 2008 tot december 2011.
Tijdens de zitting op 16 mei 2014 ontkende verdachte de ten laste gelegde feiten. De verdediging voerde aan dat verdachte nooit heeft bekend, ook niet tijdens een gesprek op 31 december 2011, en dat het Openbaar Ministerie onvoldoende onderzoek had gedaan naar mogelijke opnames van dat gesprek.
De rechtbank overwoog dat zedenzaken vaak moeilijk te bewijzen zijn vanwege het ontbreken van derden als getuigen. Volgens jurisprudentie kan een veroordeling niet uitsluitend op de verklaring van het slachtoffer gebaseerd worden; er moet steunbewijs zijn. In deze zaak ontbrak dat steunbewijs. Diverse getuigenverklaringen waren de-auditu en kwamen van dezelfde bron, het slachtoffer.
Het cruciale keukentafelgesprek op 31 december 2011, waarbij verdachte de beschuldigingen zou hebben bevestigd, kon niet onomstotelijk worden vastgesteld. Er waren geen geluidsopnames meer beschikbaar en verklaringen verschilden. De rechtbank concludeerde dat de aangifte onvoldoende steun vond in andere bewijsmiddelen en sprak verdachte vrij.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding, maar werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende steunbewijs naast aangifte.