Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Verloop van de procedure
- de moeder met haar advocaat,
- namens BJZ, de heer D. Bruinsma.
2.De feiten
[minderjarige], geboren op [2005] te [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige].
Rechtbank Midden-Nederland
De moeder verzocht de rechtbank om de schriftelijke aanwijzing van Bureau Jeugdzorg (BJZ) van 18 maart 2014, die haar opdroeg de ID-kaart van haar minderjarige zoon af te geven, te laten vervallen. BJZ had deze aanwijzing gegeven omdat zij van mening was dat de ID-kaart bij de jongere en zijn hoofdverzorger hoort te zijn, mede vanwege een voorgenomen vakantie van de vader met de kinderen.
De rechtbank oordeelde dat BJZ de aanwijzing zorgvuldig had voorbereid en voldoende had gemotiveerd. De moeder had al sinds de zomer van 2013 geweten van het standpunt van BJZ en had voldoende tijd gekregen om te reageren. De aanwijzing diende het doel van de ondertoezichtstelling omdat de vader door de weigering van de moeder niet vrijelijk over het identiteitsbewijs kon beschikken.
Echter, nadat BJZ op 13 april 2014 vervangende toestemming kreeg om een paspoort voor de minderjarige aan te vragen, en dit paspoort werd afgegeven, verviel de noodzaak van de aanwijzing. De kinderrechter verklaarde daarom de schriftelijke aanwijzing van 18 maart 2014 vervallen met ingang van de datum van afgifte van het paspoort.
Uitkomst: De schriftelijke aanwijzing tot afgifte van de ID-kaart is vervallen vanaf de datum van afgifte van het paspoort van de minderjarige.