Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
Opeisbaarheid
10.Vertragingsvergoeding
3.Het geschil
4.De beoordeling
800,00(2,0 punten × tarief € 400,00)
Rechtbank Midden-Nederland
Nationale-Nederlanden Bank vordert betaling van een restantbedrag uit hoofde van een doorlopende kredietovereenkomst die gedaagde met een rechtsvoorganger sloot. Gedaagde is sinds januari 2010 achterstallig met betalingen en ondanks ingebrekestelling niet tot betaling overgegaan. De bank beëindigde in 2011 de beleggingspolis die als zekerheid diende en bracht de afkoopwaarde daarvan in mindering op de schuld.
Gedaagde betwist de vordering primair wegens verjaring en voert subsidiair aan dat hij zich misleid voelt en dat de bank zich niet als goede contractspartij heeft gedragen. De rechtbank oordeelt dat de vordering niet verjaard is omdat de verjaringstermijn pas in 2010 begon te lopen na ingebrekestelling en dat stuitingshandelingen de termijn hebben onderbroken.
Verder is vastgesteld dat rekening is gehouden met de afkoopwaarde van de beleggingspolis en dat gedaagde hierover is geïnformeerd. De stellingen over wilsgebrek en redelijkheid en billijkheid worden niet nader onderbouwd en daarom verworpen.
De rechtbank veroordeelt gedaagde tot betaling van € 51.165,48 plus wettelijke rente vanaf 21 juli 2012 en in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van € 51.165,48 plus wettelijke rente vanaf 21 juli 2012 en proceskosten.