In deze civiele procedure staat de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat centraal vanwege het niet tijdig stuiten van de verjaring van vorderingen tot schadevergoeding wegens vervuiling van rechten van erfpacht. Eiseres stelde dat zij medio 2004 de vervuiling constateerde en dit schriftelijk aan de verkoper heeft gemeld, waarna de verjaring is begonnen en later niet tijdig is gestuit.
De rechtbank bevestigt dat de verjaring van de vorderingen met betrekking tot de landbouwgrond is aangevangen bij de kennisgeving in december 2004 en gestuit bij de brief van februari 2005, maar dat daarna geen verdere stuitingshandelingen zijn verricht. Dit leidde tot verjaring van de vorderingen. De advocaat heeft hierdoor toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen.
De rechtbank beoordeelt vervolgens de inhoudelijke grondslagen van de vorderingen, waaronder non-conformiteit van het erfpachtrecht en schending van de spreekplicht door de verkoper. Er is vastgesteld dat sprake is van vervuiling die kwalificeert als verontreiniging en dat de verkoper hierover had moeten informeren. De schade bestaat uit saneringskosten voor zowel het woonhuis met erf als de landbouwgrond.
Omdat de advocaat niet adequaat heeft gehandeld, is zij aansprakelijk voor de schade die eiseres daardoor lijdt. De rechtbank verwijst de zaak terug naar de rol voor nadere onderbouwing van de schadeposten en stelt termijnen voor het indienen van aanvullende stukken. De beslissing wordt aangehouden totdat deze nadere stukken zijn behandeld.