De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 15 januari 2014 een wrakingsverzoek gericht tegen mr. E.J. van Rijssen, rechter in de familierechtelijke afdeling. Verzoeker stelde dat mr. Van Rijssen onpartijdigheid zou hebben geschonden door het toelaten en integraal voorlezen van stukken door de wederpartij op de zitting, zonder hem voldoende gelegenheid te geven hierop te reageren. Tevens werd betoogd dat de uitspraakdatum zonder overleg was vervroegd, mogelijk in het nadeel van verzoeker.
De rechtbank overwoog dat het gebruikelijk is dat in voorlopige voorzieningenprocedures nog stukken tot kort voor de zitting worden ingediend en dat verzoeker en zijn advocaat geen bezwaar hadden gemaakt tijdens de zitting. De stelling dat verzoeker niet adequaat kon reageren werd niet ondersteund door het proces-verbaal en werd tegengesproken door de wederpartij. Ook was er geen bewijs van contact tussen mr. Van Rijssen en de wederpartij na de zitting.
Ten aanzien van de uitspraakdatum stelde mr. Van Rijssen zich te herinneren dat tijdens de zitting was aangegeven dat de uitspraak op 23 of 30 december 2013 zou volgen, of eerder indien mogelijk. De rechtbank vond onvoldoende grond om uit de vervroegde uitspraakdatum partijdigheid te concluderen.
De rechtbank concludeerde dat er geen feiten of omstandigheden waren die een objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid rechtvaardigden en wees het wrakingsverzoek af. De hoofdzaak wordt voortgezet zoals die was op het moment van schorsing wegens het wrakingsverzoek.