Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partijen
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het tenlastegelegde;
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 26 juni 2014 de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van ontuchtige handelingen met twee minderjarigen van 14 jaar die in verminderd bewustzijn verkeerden. De tenlastelegging betrof handelingen gepleegd in september 2013 in de woning van verdachte.
De officier van justitie achtte het bewijs onvoldoende voor handelingen met de eerste benadeelde, maar vond de ontuchtige handelingen met de tweede benadeelde wel wettig en overtuigend bewezen. De verdediging betwistte dit en wees op de wisselende verklaringen van de benadeelden en het ontbreken van steunbewijs.
De rechtbank concludeerde dat de verklaringen van de benadeelden inconsistent en onbetrouwbaar waren, mede vanwege hun verstandelijke beperkingen. Er waren geen getuigen of forensisch bewijs dat de ontuchtige handelingen bevestigde. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
De vorderingen van de benadeelden tot schadevergoeding werden niet-ontvankelijk verklaard wegens de vrijspraak. De rechtbank bepaalde dat deze vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs van ontuchtige handelingen met minderjarigen.