Uitspraak
op tegenspraakgegeven in de ontnemingszaak tegen:
1.Deprocedure.
2.Het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- de bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting;
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 december 2013
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 6 mei 2014 de ontnemingszaak tegen veroordeelde, die eerder door de meervoudige strafkamer was veroordeeld voor het opzettelijk handelen in strijd met het verbod op handel in diverse harddrugs, waaronder GHB, cocaïne en speed.
De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel tot een maximumbedrag van €2.667,45, gebaseerd op een rapport van 13 maart 2014 waarin de berekening van het voordeel was vastgelegd. De verdediging betwistte dit bedrag en stelde dat de gemaakte auto- en telefoonkosten hoger waren, waardoor het voordeel zou uitkomen op circa €2.000,00.
De rechtbank oordeelde dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel voldoende onderbouwd was en dat de door de verdediging genoemde hogere kosten onvoldoende concreet waren onderbouwd. Daarom stelde de rechtbank het bedrag van €2.667,45 vast als het wederrechtelijk verkregen voordeel. Tevens werd vastgesteld dat de draagkracht van veroordeelde toereikend was om dit bedrag te voldoen.
De rechtbank legde veroordeelde de verplichting op tot betaling van dit bedrag aan de Staat, ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, conform artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Uitkomst: De rechtbank legt veroordeelde ontneming van €2.667,45 op wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit handel in harddrugs.