ECLI:NL:RBMNE:2014:3496
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek tot opheffing ondertoezichtstelling en beëindiging machtiging uithuisplaatsing minderjarige
De vader verzocht op 30 juli 2014 om opheffing van de ondertoezichtstelling en beëindiging van de uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind. De ondertoezichtstelling liep tot 10 september 2014 en de uithuisplaatsing was vastgesteld voor de periode van 10 september 2013 tot 10 september 2014. De vader stelde dat BJZ en de Raad pedagogisch onverantwoord handelden en dat het huidige pleeggezin geen veilige plek meer was, mede omdat het pleeggezin aangaf te willen stoppen met de plaatsing.
Tijdens de mondelinge behandeling op 6 augustus 2014 waren de vader, moeder, vertegenwoordigers van BJZ en de Raad aanwezig, alsmede de minderjarige zelf, die een brief overhandigde. BJZ gaf aan dat de aanpak met twee gezinsvoogden niet effectief was en dat het contact tussen vader en BJZ moeizaam verliep. De moeder uitte zorgen over de invloed van de vader op het kind en pleitte voor rust en het beëindigen van de strijd. De Raad stelde dat het kind veel last had van de strijd en dat opheffing van de ondertoezichtstelling rust zou kunnen brengen.
De kinderrechter oordeelde dat hoewel de ontwikkelingsbedreigingen niet volledig waren weggenomen, het voortduren van de ondertoezichtstelling juist een verdere bedreiging voor de sociaal-emotionele ontwikkeling van het kind zou betekenen. Gezien het gebrek aan resultaten en de voortdurende strijd tussen de vader en BJZ, werd de ondertoezichtstelling niet verlengd. Tevens werd het in het belang van het kind geacht dat hij bij zijn vader gaat wonen, aangezien het pleeggezin de plaatsing wilde beëindigen en het kind zelf aangaf bij zijn vader te willen wonen. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van de minderjarige worden per 6 augustus 2014 opgeheven en beëindigd.