Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.De vordering
4.De beoordeling
400,00(2 punten x tarief € 200,00)
Rechtbank Midden-Nederland
Op 3 februari 1997 is een doorlopend kredietovereenkomst gesloten tussen [gedaagde] en Wehkamp B.V. met een kredietlimiet die later werd verhoogd tot €4.955,94. [gedaagde] is meer dan twee maanden in gebreke gebleven met betalingen, waarna het volledige saldo werd opgeëist en de vordering aan Intrum Justitia is gecedeerd.
Intrum Justitia vordert betaling van €5.512,61 vermeerderd met contractuele rente vanaf 6 januari 2014 en proceskosten. [gedaagde] voert verweer dat haar echtgenoot onder bewind staat en dat de bewindvoerder had moeten worden gedagvaard, en betwist de proceskosten.
De kantonrechter verwerpt het verweer omtrent de bewindvoerder omdat dit niet op [gedaagde] zelf van toepassing is. De Wet op het Consumentenkrediet is van toepassing op de overeenkomst. De gevorderde hoofdsom inclusief kredietvergoeding is toewijsbaar, maar de vertragingsvergoeding wordt afgewezen omdat niet is gebleken dat deze is bedongen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 12 mei 2013, de vermoedelijke datum van opeising.
De proceskosten worden aan [gedaagde] opgelegd omdat zij de betalingsachterstand heeft veroorzaakt. De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van €4.955,94 met wettelijke rente vanaf 12 mei 2013 en tot betaling van €941,15 aan proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van €4.955,94 met wettelijke rente vanaf 12 mei 2013 en proceskosten van €941,15.