Op 1 september 2013 mishandelde verdachte het slachtoffer te Hilversum door hem met gebalde vuist te slaan en met een geschoeide voet tegen het hoofd te trappen, hetgeen leidde tot lichamelijk letsel zoals een lichte hersenschudding en een gebroken rib.
De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer mishandelde, maar sprak hem vrij van het ten laste gelegde zwaar lichamelijk letsel omdat dit niet bewezen kon worden volgens de wettelijke criteria. De verdediging voerde aan dat het slachtoffer hem uitdaagde en ontkende opzettelijk tegen het hoofd te hebben getrapt, maar getuigenverklaringen bevestigden het tegendeel.
De rechtbank veroordeelde verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 47 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Bijzondere voorwaarden omvatten meldplicht, behandeling bij een forensische instelling en reclasseringstoezicht. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, die bij de burgerlijke rechter moet worden aangebracht.
Daarnaast werd een eerdere voorwaardelijke straf tenuitvoer gelegd door een werkstraf van 28 uur op te leggen, met vervangende hechtenis bij niet-naleving. De rechtbank motiveerde de straf mede door de ernst van het feit, eerdere veroordelingen van verdachte en het reclasseringsadvies dat behandeling noodzakelijk achtte.