Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Waardering van het bewijs
Over het onder 1 primair ten laste gelegde heeft verdachte volgens de verdediging een passende, redengevende verklaring afgelegd. Niet wettig en overtuigend kan worden bewezen geacht dat verdachte op enig moment de opzet heeft gehad [slachtoffer 1] van het leven te beroven door haar keel dicht te knijpen. Zo verdachte al wel enige opzet zou hebben gehad en er sprake zou zijn geweest van een begin van uitvoering, dan is er sprake van vrijwillige terugtred, doordat verdachte reeds was gestopt voor het moment dat er door de politie op de voordeur werd gebonsd. Ook de onder 1 subsidiair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling en de meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling kunnen volgens de raadsman niet bewezen worden, doordat er, gelet op het letsel, geen sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, respectievelijk dat er geen sprake was van opzet gericht op mishandeling, maar het een poging betreft tot het kalmeren van [slachtoffer 1]. Ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging onder 2 heeft de verdediging opgemerkt dat verdachte heeft ontkend [slachtoffer 1] te hebben bedreigd, op welke wijze dan ook. Ieder wettig en overtuigend bewijs ter zake ontbreekt.
5.Bewezenverklaring
6.De strafbaarheid van het feit
7.De strafbaarheid van verdachte
8.Motivering van de straffen en maatregelen
9.Vorderingen benadeelde partijen
10.Toepasselijke wettelijke voorschriften
11.Beslissing
gevangenisstraf van 30 maanden.
- Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer 1].
- Bepaalt dat het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard en dat de benadeelde partij dit bedrag kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
- Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
- Legt aan verdachte op de verplichting om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], € 3.230,14 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 42 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft.
- Bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
- Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk wordt verklaard in haar vordering en dat zij deze vordering kan aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
- Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.