Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de voorzitter en een rechter van de meervoudige strafkamer, stellende dat zij de schijn van partijdigheid hadden gewekt door hem onvoldoende tijd te geven om stukken te bestuderen tijdens een zitting op 16 september 2014.
De rechtbank onderzocht het verzoek en constateerde dat verzoeker de stukken deels al op 8 september 2014 had ontvangen en dat tijdens de zitting op 15 september 2014 aanvullende stukken waren overhandigd, waarvoor verzoeker tien minuten leestijd kreeg. Verzoeker maakte bezwaar tegen de korte leestijd, maar had tijdens de schorsing de overhandigde stukken niet ingezien.
De rechtbank oordeelde dat het niet schorsen van de zitting na de verstreken leestijd een procesbeslissing is die niet zonder meer tot wraking leidt. Er waren geen uitzonderlijke omstandigheden die een vermoeden van partijdigheid rechtvaardigen. Daarom werd het wrakingsverzoek afgewezen en werd bepaald dat toekomstige wrakingsverzoeken van verzoeker niet in behandeling worden genomen om onnodige vertraging te voorkomen.