ECLI:NL:RBMNE:2014:4791
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs verkoop van hasj
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 9 oktober 2014 de zaak tegen een 26-jarige verdachte die werd verdacht van het verkopen en vervoeren van een hoeveelheid hasjiesj. Het onderzoek vond plaats over meerdere zittingen in 2014, waarbij verdachte zich liet bijstaan door een advocaat.
De tenlastelegging betrof het opzettelijk buiten Nederland brengen, verkopen, afleveren, verstrekken of aanwezig hebben van een hoeveelheid hasjiesj van circa 433 gram. De officier van justitie vorderde bewezenverklaring van de verkoop van hasj, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte.
De rechtbank stelde vast dat verdachte contact had met een medeverdachte over hasj en dat verdachte een plastic tas met een op hasj gelijkende substantie afleverde. Het Nederlands Forensisch Instituut kon echter slechts van één monster bevestigen dat het hasjiesj betrof; de andere monsters leken er slechts op. Hierdoor kon de rechtbank niet met wettige overtuiging vaststellen dat verdachte daadwerkelijk drugs leverde.
Gezien het ontbreken van overtuigend bewijs sprak de rechtbank verdachte vrij van het ten laste gelegde. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer onder voorzitterschap van R.P. den Otter.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs dat de geleverde substantie hasj betrof.