VO-Raad verzocht de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [verweerder], die sinds 2010 in dienst was en sinds 2010 ziekgemeld was met rug- en psychische klachten. Ondanks een reorganisatie en een aangepaste functieaanbieding bleef [verweerder] arbeidsongeschikt en was er sprake van een loondoorbetalingsplicht tot 22 februari 2016 op grond van beslissingen van het UWV.
VO-Raad stelde dat de arbeidsovereenkomst ontbonden moest worden vanwege een onhoudbare situatie en vrees van andere werknemers, terwijl [verweerder] zich verweerde met het opzegverbod wegens ziekte en betwistte dat er sprake was van een nieuwe ziekteperiode. De kantonrechter onderzocht of het ontbindingsverzoek verband hield met een opzegverbod en concludeerde dat dit het geval was, mede op basis van de UWV-beschikking.
De kantonrechter oordeelde dat VO-Raad onvoldoende gewichtige redenen had aangevoerd voor ontbinding, zoals concreet agressief gedrag van [verweerder]. De reflexwerking van het opzegverbod werd bevestigd, waardoor het verzoek werd afgewezen. VO-Raad werd veroordeeld in de proceskosten.