Op 3 en 23 augustus 2014 heeft verdachte twee mishandelingen gepleegd te Utrecht: het dichtknijpen van de keel van slachtoffer 1 en het slaan van slachtoffer 2 op de linkerkaak. De rechtbank acht het primair en subsidiair ten laste gelegde niet bewezen, maar verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde mishandeling wel bewezen.
De rechtbank baseert haar oordeel op verklaringen van slachtoffers en getuigen, waarbij het handelen van verdachte niet gericht was op het veroorzaken van de dood of zwaar lichamelijk letsel. Psychologisch en psychiatrisch onderzoek toont aan dat verdachte lijdt aan schizofrenie, een pervasieve ontwikkelingsstoornis en autisme, en ten tijde van de feiten psychotisch en instabiel was.
Gezien deze ziekelijke stoornis verklaart de rechtbank verdachte niet toerekeningsvatbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging. De rechtbank gelast plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar, mede gelet op het recidiverisico en de ernst van de feiten.
De rechtbank spreekt verdachte vrij van de poging tot doodslag en zware mishandeling, maar veroordeelt hem voor mishandeling. Het bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven zodra het vonnis onherroepelijk is geworden.
De beslissing is gebaseerd op de artikelen 37, 57 en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals die golden ten tijde van het bewezen verklaarde.