Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het verzoekschrift
- het verweerschrift
- de pleitnota van [verzoekster]
- de mondelinge behandeling op 5 december 2014, waarvan aantekening is gehouden.
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer is sinds 8 april 2009 in dienst bij de werkgever, een onderneming in de motorvoertuigenbranche, met een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. De cao voor het Motorvoertuigenbedrijf is van toepassing. De werkgever heeft wegens bedrijfseconomische omstandigheden, waaronder een forse terugval in verkoop en reparatieactiviteiten en het terugtrekken van Chevrolet uit de markt, een reorganisatie doorgevoerd waarbij 17 arbeidsplaatsen moeten vervallen.
Na afwijzing van het ontslagverzoek bij het UWV heeft de werkgever een Sociale Regeling opgesteld met een beëindigingsvergoeding en outplacementtraject. De werknemer betwist de bedrijfseconomische noodzaak en vordert afwijzing van het verzoek of een hogere vergoeding.
De kantonrechter oordeelt dat de werkgever voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een bedrijfseconomische noodzaak tot reorganisatie. De werkgever heeft de afspiegelingsbeginsel correct toegepast en de werknemer komt als eerste voor ontslag in aanmerking. De ontbinding wordt toegewezen met ingang van 1 januari 2015.
De vergoeding wordt vastgesteld op €14.229 bruto, gebaseerd op 9 gewogen dienstjaren, het bruto maandsalaris inclusief vakantiebijslag en een correctiefactor C=1, omdat het ontslag voornamelijk in de risicosfeer van de werkgever ligt. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij partijen hun eigen kosten dragen.
Uitkomst: De arbeidsovereenkomst wordt ontbonden per 1 januari 2015 met een vergoeding van €14.229 bruto.