Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 26 juni 2013;
- de brief met producties van [eiser] van 7 oktober 2013;
- het proces-verbaal van de comparitie van 22 oktober 2013 en de aantekeningen van de griffier.
Rechtbank Midden-Nederland
Op 19 maart 2010 reed de zoon zonder rijbewijs en zonder toestemming in de auto van zijn vader en veroorzaakte schade aan de auto en een weiland. De vader had een verzekering bij ASR die de schade vergoedde. ASR verhaalde de betaalde schade op de zoon. De zoon stelde dat hij onverschuldigd had betaald omdat de verzekeraar geen vordering op hem kon baseren op grond van artikel 7:962 lid 3 BW Pro.
De kern van het geschil betrof de uitleg van de uitzondering in artikel 7:962 lid 3 BW Pro die het verhaal op familieleden uitsluit, tenzij de aansprakelijkheid voortvloeit uit een omstandigheid waardoor de verzekerde zelf zijn recht op uitkering zou verliezen. De zoon stelde dat zijn aansprakelijkheid niet gebaseerd was op het ontbreken van een rijbewijs, maar op het zonder toestemming besturen van de auto.
De rechtbank oordeelde dat de uitzondering in lid 3 zo moet worden uitgelegd dat verhaal mogelijk is indien de verzekerde zelf geen recht op uitkering zou hebben gehad in dezelfde situatie. Aangezien de vader geen recht op uitkering zou hebben gehad als hij zonder rijbewijs had gereden, herleeft het verhaalrecht. De vordering van de zoon werd afgewezen en hij werd veroordeeld tot betaling van proceskosten.
Uitkomst: De vordering van de zoon tot terugbetaling van de schadevergoeding wordt afgewezen; ASR mag de schade verhalen.