Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 11 september 2013 waarin een comparitie van partijen is bepaald,
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 21 januari 2014.
2.De feiten
3.Het geschil
in conventie
4.De beoordeling
in conventie en in reconventie
- Tussen partijen is niet in geschil dat [eiser] maandelijks aan [gedaagde] een bedrag aan kinderalimentatie ten behoeve van hun zoon moet betalen tot en met augustus 2012, en dat gedurende de looptijd van de overeenkomst van geldlening [gedaagde] aan [eiser] maandelijks een bedrag van € 122,08 verschuldigd is. [eiser] heeft ter zitting toegelicht dat [gedaagde] na het sluiten van de overeenkomst van geldlening tegen hem heeft gezegd dat hij het bedrag dat zij aan hem maandelijks was verschuldigd, in mindering kon brengen op het maandelijkse bedrag aan kinderalimentatie omdat zij anders telkens dit bedrag weer aan hem moest overmaken. Dit heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd bestreden.
- [eiser] heeft jarenlang bij de overschrijving van het resterende bedrag aan kinderalimentatie vermeld dat hij dit (gedeeltelijk) betaalde door middel van verrekening van zijn vordering op haar. Niet gebleken is dat [gedaagde] ooit bezwaar heeft gemaakt tegen deze gang van zaken of dat zij tot aan het moment van de beslaglegging aanvullende betaling tot het volledige bedrag aan kinderalimentatie heeft gevorderd.