Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
op tegenspraakgewezen op vordering van de officier van justitie op grond van artikel 36e, eerste lid, Wetboek van Strafrecht, in de zaak tegen:
Rechtbank Midden-Nederland
De officier van justitie vorderde op grond van artikel 36e, lid 4, Wetboek van Strafrecht, de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van € 77.650,14 van verdachte. Deze vordering werd ingesteld nadat verdachte was verdacht van witwassen.
Tijdens de terechtzitting van 16 januari 2015 werd het onderzoek verricht, waarna op 30 januari 2015 het vonnis werd gewezen. De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het ten laste gelegde witwassen. Omdat de strafrechtelijke grondslag voor de ontnemingsvordering ontbreekt, is de vordering van de officier van justitie niet ontvankelijk.
De rechtbank heeft daarom de vordering tot ontneming afgewezen. Het vonnis is uitgesproken door een meervoudige kamer van de rechtbank Midden-Nederland te Utrecht, waarbij drie rechters betrokken waren. De griffier kon het vonnis niet medeondertekenen.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot ontneming af vanwege de vrijspraak van witwassen.