Een advocaat werd geschorst voor vier maanden vanwege een tuchtrechtelijke maatregel opgelegd door de Raad van Discipline en bekrachtigd door het Hof van Discipline. De schorsing liep van 22 december 2014 tot 22 april 2015. Tijdens deze periode wilde de advocaat, in dienst van een besloten vennootschap, fiscaalrechtelijke werkzaamheden blijven verrichten, waaronder het geven van fiscaalrechtelijk advies en het voeren van bezwaar- en beroepsprocedures namens cliënten.
De Orde van Advocaten en de Deken stelden dat deze werkzaamheden onder de praktijk van een advocaat vallen en daarom niet zijn toegestaan tijdens de schorsing. De advocaat en zijn werkgever vorderden in kort geding dat de Orde zou worden bevolen toe te staan dat de advocaat deze werkzaamheden mocht voortzetten, onder bedreiging van een dwangsom.
De rechtbank oordeelde dat de civiele rechter wel bevoegd is om te toetsen of de Deken onrechtmatig heeft gehandeld met zijn uitleg van de schorsing, maar dat de inhoudelijke grenzen van de schorsing en de handhaving daarvan aan de tuchtrechter zijn. De brief van de Deken is een toezichthoudende mededeling en niet onrechtmatig. De vorderingen werden afgewezen en de eisers werden veroordeeld in de proceskosten.