De zaak betreft een verzoek van een werknemer tot ontbinding van zijn arbeidsovereenkomst op grond van veranderingen in de omstandigheden, ingediend voordat de ontslagvergunning door het UWV was afgegeven en voordat de arbeidsovereenkomst was opgezegd.
De werknemer was sinds 1980 in dienst bij de werkgever, een automobielbedrijf dat voornemens was te sluiten. De ontslagvergunning werd zes dagen na het ontbindingsverzoek verleend en de arbeidsovereenkomst werd opgezegd met ingang van 1 mei 2015.
De werknemer stelde dat de arbeidsrelatie zodanig verstoord was dat de overeenkomst eerder moest eindigen dan de opzegdatum. De werkgever voerde verweer dat geen feiten waren gesteld die een eerdere beëindiging rechtvaardigen.
De kantonrechter oordeelde dat alle omstandigheden ten tijde van de mondelinge behandeling moeten worden meegewogen, waaronder ook die na het verzoek. De vervelende sfeer door de sluiting was onvoldoende om tot een eerdere beëindiging te komen. De werknemer werd veroordeeld in de proceskosten.