Eisers ontvingen een persoonsgebonden budget (pgb) dat deels werd besteed aan zorg via Stichting [stichting 2]. De bestuurder van deze stichting is strafrechtelijk veroordeeld voor fraude met pgb-gelden, waarbij onder meer gelden op haar privérekening werden gestort en valse documenten werden opgemaakt. Verweerder wees de verantwoording van het pgb van eisers af en vorderde terugbetaling van de gelden over meerdere jaren.
Eisers betwisten hun betrokkenheid bij de fraude en stellen dat verweerder onvoldoende bewijs heeft geleverd dat hun pgb-gelden onrechtmatig zijn besteed. Zij benadrukken dat niet alle betalingen op de privérekening van de bestuurder frauduleus hoeven te zijn en dat eiser II in bepaalde jaren geen pgb ontving.
De rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom eisers tot de groep fraudeurs behoren en waarom het gehele pgb over meerdere jaren moet worden teruggevorderd. De algemene verwijzing naar het strafrechtelijke vonnis en geanonimiseerde stukken is niet toereikend. Daarom oordeelt de rechtbank dat de besluiten in strijd zijn met het motiveringsbeginsel en geeft verweerder de gelegenheid om het gebrek te herstellen binnen een gestelde termijn.
De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en bepaalt dat het vervolgproces zich zal beperken tot de reeds besproken beroepsgronden. Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open.