Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[gedaagde sub 3],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 10 september 2014,
- het proces-verbaal van comparitie van 27 januari 2015 en de daarin genoemde stukken,
- de brief van 12 februari 2015 van mr. Van Engelen, met opmerkingen bij het proces-verbaal,
- de brief van 16 februari 2015 van mr. Bos, met opmerkingen bij en aanvullingen op het proces-verbaal,
- de brief van 26 februari 2015 van mr. Van Engelen waarin hij zijn bezwaar van 24 februari 2015 tegen de aanvullingen van mr. Bos op het proces-verbaal intrekt.
2.De feiten
2 december 2009 tot 6 februari 2011 was [gedaagde sub 3] bestuurder van [gedaagde sub 1]. Van 6 februari 2011 tot 1 maart 2014 is [bedrijf 6] wederom bestuurder van [gedaagde sub 1] geweest.
3.Het geschil
4.De beoordeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
c.q. wanprestatie van [gedaagde sub 3] ten grondslag is gelegd.
5.De beslissing
woensdag 20 mei 2015teneinde [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs willen leveren;
in de drie maanden nadienverhinderd zijn; zij dienen bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;
;