Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[gedaagde sub 1],
[gedaagde sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak stond een executiegeschil centraal over de tenuitvoerlegging van een vonnis betreffende de euthanasiewens en opzegging van een zorgovereenkomst van mevrouw [gedaagde sub 1]. De voorzieningenrechter bevestigde het wettelijk kader dat tenuitvoerlegging slechts kan worden geschorst bij een duidelijke juridische of feitelijke misslag of bij dreiging van een noodtoestand.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het eerdere vonnis van de voorzieningenrechter te Middelburg zorgvuldig was gemotiveerd en dat er geen sprake was van een misslag. De toetsing van de wilsbekwaamheid ten aanzien van de euthanasiewens en de zorgovereenkomst werd als samenhangend gezien, waarbij het oordeel dat mevrouw wilsbekwaam is ook haar vermogen tot het opzeggen van de zorgovereenkomst impliceert.
Verder werd overwogen dat het niet willen uitvoeren van het vonnis niet gelijkstaat aan het niet kunnen uitvoeren, zodat geen noodtoestand is ontstaan. De vorderingen van eiseres werden daarom afgewezen en zij werd veroordeeld in de proceskosten.
De uitspraak bevestigt het belang van zorgvuldige toetsing in executiegeschillen en benadrukt dat inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak niet in een executiegeschil kunnen worden aangevoerd, maar via hoger beroep moeten worden behandeld.
Uitkomst: De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af wegens het ontbreken van een misslag en noodtoestand.