Eiser was magazijnmedewerker bij een bedrijf dat failliet werd verklaard. Na het faillissement bleef eiser werkzaamheden verrichten in hetzelfde bedrijfspand, waarbij gedaagde de transportactiviteiten had overgenomen. Eiser ontving een bedrag van gedaagde onder de vermelding 'schade betaling' en kreeg later een arbeidsovereenkomst aangeboden, die hij aanvankelijk verwierp.
De kantonrechter oordeelde dat tussen eiser en gedaagde een arbeidsovereenkomst tot stand was gekomen vanaf 21 mei 2014, gelet op de werkzaamheden, gezagsverhouding en loonbetaling. Het aanbod van gedaagde op 3 oktober 2014 was vervallen door verwerping door eiser, maar de arbeidsovereenkomst bleef bestaan tot minstens 20 oktober 2014.
De kantonrechter veroordeelde gedaagde tot betaling van het loon vanaf 6 oktober 2014 tot het moment van rechtsgeldige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, inclusief een wettelijke verhoging en rente. De vordering voor loon over acht ziektedagen werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Tevens werd gedaagde veroordeeld tot betaling van buitengerechtelijke incassokosten en het verstrekken van een bruto-specificatie van het betaalde bedrag van €4.628,--.