Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 13 april 2015
- de brief van de heer [A] van 13 april 2015
- het verschoningsverzoek van mr. Fijnheer.
Rechtbank Midden-Nederland
Op 13 april 2015 vond de mondelinge behandeling plaats van het beroep van betrokkene tegen een beslissing van de officier van justitie. Tijdens deze zitting meldde de kantonrechter voorafgaand dat zij de echtgenote van betrokkene kende, wat aanleiding gaf tot een verzoek tot verschoning. Hoewel betrokkene en zijn echtgenote aanvankelijk instemden met voortzetting van de behandeling, uitte betrokkene later schriftelijk bezwaren over de beperking van het pleidooi van zijn echtgenote.
Naar aanleiding hiervan diende de kantonrechter een formeel verzoek tot verschoning in op grond van artikel 8:19 en Pro 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank overwoog dat verschoning dient ter waarborging van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter, waarbij ook de schijn van partijdigheid meegewogen wordt.
Gelet op de persoonlijke bekendheid tussen de kantonrechter en de echtgenote van betrokkene, en de motivering van het verzoek, achtte de rechtbank de vrees voor een gebrek aan onpartijdigheid objectief gerechtvaardigd. Daarom werd het verzoek tot verschoning van de kantonrechter toegewezen. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de kantonrechter wordt toegewezen vanwege persoonlijke bekendheid met de echtgenote van betrokkene.