Uitspraak
1.Deprocedure
2.De beoordeling
3.De beslissing.
€ 3.600,00.
€ 3.600,00ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 22 mei 2015 een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van een veroordeelde die werd veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennepplanten. De officier van justitie had aanvankelijk een vordering tot betaling van €340.219,20 ingediend, maar wijzigde deze tijdens de zitting tot €3.600, zijnde de huuropbrengst van een schuur die de veroordeelde gedurende 18 maanden verhuurde.
De rechtbank baseerde haar oordeel op het bewezen verklaarde feit van medeplegen en aanwijzingen dat de verdachte ook vóór de bewezen periode hennepplanten aanwezig had. De huuropbrengst werd vastgesteld op €200 per maand over 18 maanden. Een verzoek van de verdediging om een naheffing van circa €20.000 voor elektriciteit in mindering te brengen werd afgewezen, omdat de ex-partner van de verdachte deze naheffing ontving en betaalde.
De rechtbank achtte niet aannemelijk dat de veroordeelde niet aan zijn betalingsverplichting zou kunnen voldoen. Uiteindelijk stelde de rechtbank het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €3.600 en legde de verplichting tot betaling aan de Staat op. Het vonnis werd gewezen door drie rechters en uitgesproken in een openbare zitting.
Uitkomst: De rechtbank legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling van €3.600 aan de Staat als ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.