ECLI:NL:RBMNE:2015:4365

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
3 juni 2015
Publicatiedatum
17 juni 2015
Zaaknummer
3821875 MC EXPL 15-951
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 71 RvArt. 93 RvArt. 7:662 BWArt. 7:666 BWArt. 7:668a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid kantonrechter bij geschil over opvolging werknemers na pre-pack faillissement

In deze zaak staat centraal of de kantonrechter bevoegd is kennis te nemen van een geschil tussen FNV en een besloten vennootschap over de rechtspositie van werknemers die na een pre-pack faillissement zijn overgenomen.

De vennootschap [gedaagde] heeft na het faillissement van Estro Groep circa 250 vestigingen en 2600 werknemers overgenomen. FNV stelt dat op grond van Europese jurisprudentie en richtlijnen alle werknemers van rechtswege bij [gedaagde] in dienst zijn gekomen met behoud van arbeidsvoorwaarden. Subsidiair wordt gesteld dat sprake is van opvolgend werkgeverschap.

[gedaagde] betwist de bevoegdheid van de kantonrechter en verzoekt verwijzing naar een meervoudige kamer, stellende dat het geschil faillissementsrechtelijke aspecten betreft en niet over arbeidsovereenkomsten.

De kantonrechter oordeelt dat de grondslag van de vordering in het arbeidsrecht ligt en dat het geschil een aardzaak betreft in de zin van artikel 93 Rv Pro. De vordering tot verwijzing wordt afgewezen en [gedaagde] wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten. De zaak wordt verwezen naar de rolzitting voor verdere behandeling.

Uitkomst: De kantonrechter is bevoegd en wijst de vordering tot verwijzing naar een meervoudige kamer af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling Civiel recht
kantonrechter
locatie Almere
zaaknummer/ rolnummer: 3821875 MC EXPL 15-951
datum : 3 juni 2015
Vonnis in het incident in de zaak van:
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
FEDERATIE NEDERLANDSE VAKVERENIGING, rechtsopvolger van ABVAKABO FNV,
gevestigd te Amsterdam,

2 [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

3 [eiseres sub 3],

wondende te [woonplaats],

4 [eiseres sub 4],

wonende te [woonplaats],

5 [eiseres sub 5],

wonende te [woonplaats],
eiseressen,
gedaagden in het incident,
gemachtigde mr. A. Simsek en mr. J.H.M. Klerks,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde] B.V.,
kantoorhoudende te [vestigingsplaats],
gedaagde,
eiseres in het incident,
gemachtigde mr. B.F.H. Rumora-Scheltema en mr. H.T. ten Have,
Partijen zullen hierna FNV c.s. en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie tot onbevoegdheid van de kantonrechter
- pleitnota gedaagde van 26 mei 2015
- pleitnota eiseres van 26 mei 2015
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde] is een vennootschap onder firma met beperkte aansprakelijkheid die op 20 juni 2014 is opgericht.
2.2.
Estro Kinderopvang B.V. is op 5 juli 2014 samen met Estro Groep B.V., Estro Services B.V. en Estro Educatie B.V. failliet verklaard. Estro Groep exploiteerde een kinderopvangbedrijf met circa 380 vestigingen in Nederland. Estro Groep had circa 3600 werknemers in dienst. [gedaagde] heeft per datum faillissement circa 250 vestigingen en 2600 werknemers overgenomen van Estro Groep. De overige werknemers zijn door de curator in het faillissement van Estro Groep ontslagen, waaronder eiseressen 2 tot en met 4. Deze overname is gerealiseerd op basis van het project Butterfly, inhoudende dat het gezonde deel van Estro Groep middels een pre-pack faillissement is overgenomen en direct is voortgezet door de nieuwe eigenaar.

3.Het geschil

3.1.
FNV stelt zich (in de hoofdzaak) primair op het standpunt dat op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJ) van de EG de pre-pack niet is gericht op liquidatie maar op doorstart en aldus de Richtlijn 2011/23/EG van toepassing is, zodat alle werknemers van de overgenomen vestigingen, inclusief eiseressen 2 tot en met 5, op basis van een richtlijn conforme interpretatie van de artikelen 7:662 e.v. BW van rechtswege met behoud van al hun arbeidsvoorwaarden, in dienst zijn gekomen bij [gedaagde]. Subsidiair stelt FNV zich op het standpunt dat indien de Richtlijn 2011/23/EG niet van toepassing zou zijn bij een pre-pack en/of de tekst van artikel 7:666 BW Pro een richtlijnconforme interpretatie uitsluit, desondanks de artikelen 7:662 e.v. BW van toepassing zijn nu het tijdstip waarop de overgang van de onderneming plaatsvond vóór de datum van het faillissement ligt. Aldus zijn de werknemers van de overgenomen vestigingen van rechtswege in dienst getreden bij [gedaagde]. Meer subsidiair stelt FNV zich op het standpunt dat sprake is van opvolgend werkgeverschap op grond van artikel 7:668a tweede lid BW.
3.2.
[gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de kantonrechter onbevoegd is kennis te nemen van onderhavig geschil met het verzoek de zaak op de voet van artikel 71 lid 1 Rv Pro te verwijzen naar een (meervoudige) kamer voor andere zaken dan kantonzaken. Zij voert daartoe aan dat het geschil geen waardezaak of aardzaak betreft in de zin van artikel 93 Rv Pro. De kernvraag in onderhavige procedure is volgens [gedaagde] of in een faillissement bij toepassing van een pre-pack, de uitzondering op de Europeesrechtelijke en nationale regels inzake overgang van onderneming van toepassing zijn. Dit ziet op het faillissementsrecht en in wezen niet op de arbeidsovereenkomsten van eiseressen 2 t/m 5. Het gaat immers niet om de inhoud, interpretatie, toepassing of uitleg van de arbeidsovereenkomsten. Daarbij komt dat afdoening van onderhavige zaak meer geschikt wordt geacht door een meervoudige kamer dan door de enkelvoudige kantonrechter, vanwege de complexiteit van de te beantwoorden rechtsvraag.
3.3.
FNV stelt dat voor de bevoegdheid van de kantonrechter bepalend is de grondslag van de vordering. De kernvraag is volgens FNV of de werknemers in dienst zijn getreden van [gedaagde] en of tussen betrokkenen een arbeidsovereenkomst bestaat. De vorderingen gaan om behoud van werk en behoud van loon.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter oordeelt als volgt.
4.2.
Op grond van art. 71 lid 3 Rv Pro geldt dat de rechter (hier de kantonrechter) aan de hand van zijn voorlopig oordeel over het onderwerp van het geschil, moet beoordelen of verwijzing naar een andere kamer (waarin geen kantonzaken worden behandeld) nodig is. De kantonrechter moet zich dus een voorlopig oordeel vormen over de rechtsverhouding waarop de vordering is gebaseerd. Met het FNV is de kantonrechter van oordeel dat de grondslag van de vordering bepalend is voor de vraag of de kantonrechter ex artikel 93 Rv Pro bevoegd is van het geschil tussen partijen kennis te nemen. In weerwil van hetgeen door [gedaagde] is aangevoerd is de kantonrechter van oordeel dat de grondslag van de vorderingen ligt in het arbeidsrecht. De vraag die voorligt, komt er samengevat op neer of de werknemers die in dienst waren bij Estro Groep op de locaties die zijn overgenomen door [gedaagde] van rechtswege of door middel van opvolging in dienst zijn gekomen van [gedaagde]. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat het hier een aardzaak betreft in de zin van artikel 93 sub c Rv Pro. De kantonrechter acht zich derhalve bevoegd kennis te nemen van het geschil.
4.3.
De vordering tot verwijzing naar de meervoudige kamer ex artikel 71 lid 1 Rv Pro wordt afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeelt tot betaling van de proceskosten in het incident te begroten op € 400,00 aan salaris gemachtigde.
4.4.
De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting van 1 juli 2015 voor conclusie van antwoord aan de zijde van [gedaagde].
De beslissing in het incident
De kantonrechter:
wijst de vordering in het incident af;
verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag
1 juli 2015te 11.00 uur voor conclusie van antwoord in de hoofdzaak aan de zijde van [gedaagde];
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten in het incident aan de zijde van FNV c.s., tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 juni 2015.