Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2015:4875

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 juni 2015
Publicatiedatum
2 juli 2015
Zaaknummer
AWB - 15 _ 1385
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning 2013Beleidsregels Wmo voorzieningen 2013
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek hulp bij het huishouden wegens inzet gezonde inwonende zoon

Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), welke door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht is afgewezen. Het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing is eveneens ongegrond verklaard, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank.

De kern van het geschil is dat verweerder het besluit baseerde op het feit dat de inwonende zoon van eiseres, die op het moment van het primaire besluit 18 jaar oud was, geen beperkingen heeft die hem beletten huishoudelijke taken te verrichten. Eiseres stelde dat de inzet van haar kinderen niet ten koste mag gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, en verwees naar een Kamerstuk over de Wmo 2015. De rechtbank oordeelde echter dat deze verwijzing niet opgaat voor de Wmo-regeling die ten tijde van het besluit gold.

De rechtbank concludeerde dat op grond van de geldende Verordening en Beleidsregels Wmo 2013, wanneer een gezonde huisgenoot aanwezig is, geen voorziening hoeft te worden toegekend omdat sprake is van gebruikelijke zorg. De zoon kan, al dan niet met hulp van zijn broertjes en zusjes, het huishouden verrichten. Het beroep faalt daarom wegens onvoldoende grondslag en motivering van het bezwaar.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van hulp bij het huishouden wordt ongegrond verklaard omdat de inwonende zoon de gebruikelijke zorg kan leveren.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 15/1385

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

30 juni 2015 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.J.M. de Leest),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. P.C. van der Voorn).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2014 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) afgewezen.
Bij besluit van 28 januari 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2015. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens zijn namens eiseres haar echtgenoot, de heer [A] , en haar zoon, de heer [B] (de zoon), verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Overwegingen

1. Verweerder heeft aan het besluit tot afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat de inwonende zoon van eiseres het huishoudelijke werk kan verrichten. De zoon was ten tijde van het primaire besluit reeds 18 jaar oud en volgens het advies van [bedrijf] van 20 oktober 2014 heeft hij geen aandoeningen die hem zouden kunnen beperken in het uitvoeren van huishoudelijk werk.
2. Eiseres voert aan dat de inzet van kinderen niet ten koste mag gaan van hun welbevinden en ontwikkeling, waaronder het omgaan met leeftijdgenoten, het doen aan vrijetijdsbesteding en de schoolprestaties. Eiseres verwijst hiertoe naar de Nota naar aanleiding van het verslag, Tweede Kamer, 2013/2014, 33 841, nr. 34, blz. 116. Uit het bestreden besluit blijkt volgens eiseres op geen enkele wijze in hoeverre verweerder met voormelde aspecten rekening heeft gehouden, verweerder heeft uitsluitend bezien in hoeverre er medische beletselen zijn voor de zoon voor het uitvoeren van de huishoudelijke taken. Het bestreden besluit kan daarom geen stand houden, wegens onvoldoende onderzoek en onvoldoende motivering, aldus eiseres.
3. De rechtbank stelt vast dat niet meer in geschil is dat de inwonende zoon geen beperkingen heeft die maken dat hij niet de huishoudelijke taken kan verrichten. Uit artikel 3 van Pro de Verordening voorzieningen Wet maatschappelijke ondersteuning 2013 (de Verordening) volgt, voor zover relevant, dat een voorziening alleen wordt toegekend als de belanghebbende niet of niet voldoende in eigen oplossingen kan voorzien. Uit de Beleidsregels Wmo voorzieningen 2013 (de Beleidsregels) volgt dat als er een gezonde huisgenoot aanwezig is, verweerder op grond van gebruikelijke zorg geen voorziening hoeft te leveren. Gelet op het voorgaande komt eiseres niet in aanmerking voor de gevraagde voorziening, nu sprake is van gebruikelijke zorg. Van de zoon kan, al dan niet met behulp van zijn zusjes en broertjes, verwacht worden om het huishouden voor zijn rekening te nemen. De verwijzing naar voormelde Nota naar aanleiding van het verslag kan eiseres niet baten, reeds omdat – zoals verweerder terecht heeft opgemerkt – deze nota betrekking heeft op de vanaf 1 januari 2015 geldende Wmo 2015 en deze regelgeving niet aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. De stelling van eiseres dat dezelfde redenering ook van toepassing zou zijn op zaken die vallen onder de Wmo zoals die gold vóór 1 januari 2015, gaat niet op, nu, zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, toen de Beleidsregels golden en de uitleg die daarin werd gegeven over het begrip gebruikelijke zorg. De beroepsgrond slaagt niet.
4. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.M. Dijksterhuis, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.F.C. Vogel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2015.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending van het proces-verbaal daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.