ASB verzocht de rechtbank om een bevelschrift uit te vaardigen voor vergoeding van proceskosten die zij maakte in een kort gedingprocedure tegen [gedaagden c.s.] over intellectuele eigendomsrechten. De kort gedingprocedure was echter ingetrokken door [gedaagden c.s.] voordat de zaak werd uitgeroepen. ASB stelde dat artikel 1019h Rv van toepassing is op IE-geschillen en dat zij recht heeft op vergoeding van gemaakte kosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het kort geding inderdaad een IE-geschil betrof en dat de artikelen 249 en 250 Rv analoog van toepassing zijn bij intrekking van een kort geding, waardoor in beginsel aanspraak op proceskostenvergoeding bestaat. Echter, ASB had geen proceshandeling verricht, de zaak was niet uitgeroepen en er was geen vast recht betaald. De overgelegde facturen en specificaties van de advocaat konden niet worden toegerekend aan kosten voor het opstellen van pleitnota's of noodzakelijke producties.
Daarom concludeerde de rechtbank dat er geen grond was voor het afgeven van een bevelschrift tot proceskostenvergoeding. Het verzoek werd afgewezen en ASB werd veroordeeld in de proceskosten, die werden begroot op nihil.