ECLI:NL:RBMNE:2015:5436
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht legesheffing Nederlandse identiteitskaart en EVRM-toetsing
Eiser diende op 10 oktober 2011 een aanvraag in voor een Nederlandse identiteitskaart en werd geconfronteerd met leges van €43,85. Na bezwaar en diverse procedures oordeelde de rechtbank dat de heffing op grond van de toen geldende wetgeving niet mogelijk was. De wetgever stelde vervolgens een reparatiewet in die met terugwerkende kracht de grondslag voor legesheffing herstelde, met ingang van 22 september 2011.
Eiser betwistte de terugwerkende kracht van deze reparatiewet en stelde dat dit in strijd was met de Wet algemene bepalingen en de artikelen 2 en 13 van het EVRM. De rechtbank overwoog dat terugwerkende kracht in fiscale regelgeving onder bijzondere omstandigheden is toegestaan, zoals hier vanwege het voorkomen van oneigenlijk gebruik en het waarborgen van een rechtvaardige kostenverdeling.
De rechtbank concludeerde dat de reparatiewet geen strafrechtelijke bepalingen bevat en dat de terugwerkende kracht gerechtvaardigd was op grond van beleidslijnen en de bijzondere omstandigheden. Tevens oordeelde de rechtbank dat de legesheffing geen belemmering vormt voor de vrijheid van beweging zoals beschermd door het EVRM, en dat er geen schending is van het recht op een effectief rechtsmiddel.
Het beroep van eiser werd daarom ongegrond verklaard en de legesheffing bleef in stand. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de legesheffing blijft in stand.