ECLI:NL:RBMNE:2015:5515
Rechtbank Midden-Nederland
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Bezoekregeling minderjarige na ondertoezichtstelling blijft gehandhaafd
De moeder verzocht de kinderrechter om de schriftelijke aanwijzing van de gezinsvoogdijinstelling (GI) betreffende de bezoekregeling met haar minderjarige kind te laten vervallen. De moeder stelde dat de aanwijzing onzorgvuldig tot stand was gekomen, onvoldoende gemotiveerd was en de omgang onterecht te veel werd beperkt. De GI had de bezoekregeling aangepast omdat de eerdere onbegeleide en frequente bezoeken te belastend waren voor het kind.
De kinderrechter stelde vast dat de GI de moeder niet vooraf had geraadpleegd over de aanwijzing, wat in strijd was met artikel 4:8 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Desondanks oordeelde de rechter dat de moeder hierdoor niet in haar belangen was geschaad, mede omdat de relatie tussen moeder en GI al lang bestond en de standpunten bekend waren. De rechter vond de aanwijzing voldoende gemotiveerd en in het belang van het kind.
Uit de rapportages bleek dat de minderjarige na elk bezoekmoment onrustig was, wat haar ontwikkeling belemmerde. De aangepaste bezoekregeling met begeleide omgang en minder frequentie leidde tot een verbetering van haar situatie. De kinderrechter verwierp het betoog van de moeder dat de onrust geen effect zou hebben op de ontwikkeling van het kind, omdat elke situatie uniek is.
Gezien de ondertoezichtstelling en het feit dat terugkeer naar de moeder niet meer wordt nagestreefd, achtte de rechter de huidige bezoekregeling passend. De mogelijkheid tot uitbreiding van de omgang wordt afhankelijk gesteld van de uitkomsten van de video-interactie-begeleiding. Het verzoek van de moeder werd daarom afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek van de moeder om de schriftelijke aanwijzing te laten vervallen wordt afgewezen en de bezoekregeling blijft gehandhaafd.